Opinie

Verbod op criminele motorclubs is welkom, maar niet genoeg

Hells Angels

Commentaar

Het Hells Angels-verbod door de rechtbank Midden-Nederland heeft hoofdzakelijk symbolische waarde. Het maakt duidelijk dat de civiele rechter er vaker van overtuigd kan worden dat een verenigingscultuur van publieke wetteloosheid voldoende is om een structurele bedreiging van de openbare orde aan te nemen. Waarbij dan vooral een aantal ‘bijzondere omstandigheden’ nodig zijn. Zo blijken de Angels hun bloeddorst in een vrij bruut semimilitair loopbaanstelsel van badges en onderscheidingen te hebben gecodificeerd. Daarbij verbleken subtiele juridische meetinstrumenten als toerekenen, dulden, gelegenheid bieden of leiding geven. Strafbare feiten plegen is bij de Angels niet alleen geaccepteerd, maar ‘volstrekt normaal’, constateert de civiele kamer. Eerder werden de criminele clubs Bandidos, Satudarah en Catervarius al op vergelijkbare gronden verboden.

De praktische effecten zijn echter klein en al te hoge verwachtingen mogen dan ook niet gekoesterd worden. Dit zijn immers hoofdzakelijk beroepscriminelen die zich nergens aan plegen te conformeren. In alle zaken wacht nog hoger beroep en mogelijk cassatie, en het kan jaren duren voor het zover is. Na deze uitspraken mogen de motorclubs alleen geen gebruik meer maken van hun eigendommen. En wat er na een onherroepelijk verbod in hoogste instantie wel of niet meer mag, staat eveneens niet echt vast. Of clubkleding (‘colors’) nog mag, of publieke manifestaties onder andere, sterk op de oude gelijkende namen zijn toegestaan, het is nog door geen rechter beoordeeld. En in de wet staat het niet. Het debat met de motormannen over het recht op vereniging duurt nog jaren.

Lees ook: Hoe zorg je dat Hells Angels ook echt ophouden te bestaan

Intussen werkt de Tweede Kamer aan een voorstel van PvdA, CDA, SGP, VVD en ChristenUnie dat aan de trage tred naar een civiel verbod een mogelijk sneller verbod door de minister toe wil voegen. Waarna dan de bestuursrechter en de Raad van State wachten als beroepsinstanties. Gelukkig zondert dit voorstel expliciet een ministerieel verbod uit op politieke partijen, vakbonden en religieuze verenigingen. Zo diep grijpen deze bevoegdheden dus in. En er is daarmee ook op een vluchtroute gewezen – de Hells Angels zouden zich tot religieus genootschap kunnen ombouwen. Het zou niet de eerste parodiekerk zijn. Ook een politieke partij van Angels is denkbaar: lagere motorrijtuigenbelasting en ruimere sluitingstijden graag. Of een vakbond: voor louter menslievende motorrijders. Waarna bezwaar, beroep, hoger beroep etc. etc. Zo worstelt de rechtsstaat, die burgerrechten wil beschermen maar misbruik wil voorkomen en daarvoor een oorbare juridische weg zoekt.

Hoe dringend het probleem van de motorclubs ook is, de oplossing ligt maar gedeeltelijk in een juridische dans rond het recht van vereniging. Civiele of bestuurlijke verboden kunnen wel bijdragen aan het verdedigen van de maatschappelijke norm. Dat het niet in de haak is, niet normaal, niet deugt en niet gewenst is, om je publiekelijk te manifesteren als kennelijk trotse crimineel. De strijd om het bovengronds mogen bestaan is er ook een van beeldvorming, legitimiteit, populaire cultuur – en dus van marketing, werving en selectie. Dat Defensie worstelt met actief dienende militairen die bij dergelijke clubs zijn aangesloten, is in zekere zin een gotspe. Daar moet een streep getrokken kunnen worden. Verbodenverklaringen kunnen daarbij helpen. Maar de misdrijven die deze groepen plegen zijn het echte probleem.