Gruwelijk, maar genoeg bewijs voor genocide?

zelfregistratie moordpartijen De Rohingya hopen dat de Myanmarese militairen die in hun dorpen hebben huisgehouden worden vervolgd. Ze verzamelen bewijsmateriaal dat tot een zaak bij het Internationaal Strafhof moet leiden. Het is een lange weg.

Een Rohingya toont de ernstige verwondingen en littekens die hij opliep door toedoen van Myanmarese militairen.
Een Rohingya toont de ernstige verwondingen en littekens die hij opliep door toedoen van Myanmarese militairen. Foto Turjoy Chowdhury/NurPhoto

De lijsten van Ahmad Hossain zijn erg precies. Alle 230 huizen uit zijn dorp zijn geplunderd en in brand gestoken. Twee moskeeën en acht winkels gingen in rook op. Van de 1.412 inwoners zijn er 358 gedood. Met hun naam en leeftijd staan ze onder elkaar. 21 vrouwen werden verkracht, 73 mensen raakten gewond.

Ahmad Hossain, een lokale Rohingya-leider die nu in een vluchtelingenkamp in Bangladesh woont, heeft zelfs geregistreerd hoeveel vee zijn mensen kwijt zijn: 796 koeien en ossen, 883 geiten, 2.430 kippen en hanen. En er staat in zijn papieren wie volgens hem de daders zijn: de militairen van het 33ste bataljon van het leger van Myanmar, die zouden hebben samengewerkt met „extremistische boeddhisten”.

Zijn paperassen bewaart Hossain zorgvuldig in een plastic doos in zijn bamboe hut. Niemand vroeg hem erom, zegt hij. Maar: „Ik ben zelf ook familie verloren, mijn vader en mijn broer. Zo kan ik iets terugdoen voor onze gemeenschap.”

Hossain hoopt dat zijn inventarisatie kan helpen om de verantwoordelijken voor het geweld in Rakhine, de deelstaat in Myanmar waar de Rohingya vandaan komen, veroordeeld te krijgen. Eind augustus 2017 begingen de Myanmarese militairen hun wreedheden: verkrachtingen, plunderingen, moord. Meer dan 700.000 Rohingya-moslims vluchtten de grens over naar Bangladesh.

In de vluchtelingenkampen bestaan meerdere initiatieven zoals dat van Ahmad Hossain. Rohingya zelf hebben informatie opgehaald, mensenrechtenorganisaties spraken met ooggetuigen en bestudeerden satellietbeelden. Alles om bewijs te verzamelen over de misdaden tegen de Rohingya-moslims. De kans dat er in Myanmar een vrij en onafhankelijk onderzoek naar komt, is verwaarloosbaar.

Het kostte Ahmad Hossain ongeveer een maand om de gegevens van zijn dorp in kaart te brengen. De meeste van zijn dorpsgenoten wonen in de kampen nu ook bij elkaar in het blok. De gegevens had hij al langer, de papieren pas sinds kort. Het kostte hem 1.200 taka (12 euro) om alles uit te tikken en af te drukken bij een printshop in een dorp verderop.

Rohingya Mohib Bullah heeft het nog ambitieuzer aangepakt. Met een club van vijftien man heeft hij geprobeerd een totaalbeeld te krijgen van de wreedheden tegen de Rohingya. „Ik heb gezocht naar mensen met een beetje opleiding die me wilden helpen.” In Rakhine was hij leraar, nu probeert hij met zijn organisatie de kampen leefbaar te houden.

Uit elk dorp vroegen Bullah en zijn team twee ‘afgevaardigden’ om op onderzoek uit te gaan. „Het waren 150 dorpen, dus 300 man. We gaven hen een soort training data-verzamelen.” Ze inventariseerden het aantal doden, hoe de mensen om het leven kwamen, het aantal verkrachtingen en in brand gestoken huizen.

Opgeteld kwamen ze uit op 10.300 doden, allen het slachtoffer van geweld in 2016 en 2017. Een conservatieve schatting, zegt Bullah: „Er zijn ook complete gezinnen vermoord. Als van een familie niemand over is, weten we niet of die mensen wel meegeteld zijn.” Alleen hulporganisatie Artsen zonder Grenzen heeft tot nu toe een schatting durven maken van het aantal doden en die kwam ongeveer op hetzelfde aantal uit.

Mohib Bullah heeft ook geprobeerd documenten te verzamelen die als bewijs kunnen dienen dat de Rohingya in Myanmar thuis horen en niet in Bangladesh, zoals de autoriteiten graag beweren. Ze zochten identiteitsbewijzen, reisdocumenten en eigendomspapieren van huizen. Dit was lastig. Weinig Rohingya hebben die nog. „De autoriteiten zijn er al jaren op uit om onze documenten juist te vernietigen.” Veel mensen zijn die zomer ook zó hun huizen uit gevlucht. Ze hadden weinig meer bij zich dan de kleren die ze op dat moment aan hadden.

Verschillende Rohingya tonen de ernstige verwondingen en littekens die ze opliepen door toedoen van Myanmarese militairen. Tekst loopt door na de foto’s:

‘Niemand durfde het te filmen’

Het moeilijke is verder, vertellen de Rohingya, dat er weinig foto- of videomateriaal van de wreedheden bestaat. Daar vraagt iedereen hem naar, zegt Ahmad Hossain, maar hij heeft het niet.

Op 27 augustus 2017, aan het begin van de middag, omsingelden militairen zijn dorp Chut Pyin in het noorden van Rakhine. Ze schoten mensen neer, staken huizen in brand. „Niemand was dapper genoeg om het te filmen.” Ze waren ook met iets heel anders bezig dan hun telefoon, zegt hij: proberen te overleven. Sommige inwoners zetten het op een rennen, anderen verstopten zich in een visvijver om te ontsnappen aan het geweld.

Mensenrechtenorganisatie Fortify Rights bracht vorig jaar schokkende beelden naar buiten die Rohingya konden redden uit hun mobiele telefoons, vaak beschadigd tijdens de vlucht. De moslims hadden dagen gelopen om Bangladesh te halen, met onderweg veel regen. De beelden tonen hoe de militairen hun slachtoffers achterlieten: verkoolde lichamen, levenloze kinderen in het gras, vuur en rookwolken boven rijstvelden. „Zo ziet genocide eruit”, zegt de stem in de video.

In welke rechtbank komt dit materiaal ooit van pas? De Rohingya hebben hun hoop gevestigd op het Internationaal Strafhof, waar daders van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide kunnen worden vervolgd.

In september bepaalden de rechters dat ze inderdaad bevoegd zijn een zaak over de Rohingya in behandeling te nemen, ook al heeft Myanmar het Strafhof nooit erkend. Bangladesh deed dit wel en omdat de Rohingya verjaagd zijn naar Bengaals grondgebied meent het Hof dat het zich kan uitspreken over de schuldvraag.

De aanklager van het Strafhof is nu een vooronderzoek begonnen over de vraag of het tot strafrechtelijk onderzoek kan komen. Een fact finding VN-missie deed vorig jaar al een voorstel over de potentiële beklaagden. De missie noemt zes generaals, onder wie dé legerbaas Min Aung Hlaing. Volgens de missie is er genoeg reden hen voor genocide aan te klagen, een moeilijk te bewijzen misdaad. Het geweld moet worden aangetoond, maar ook de intentie van de dader om de slachtoffers als leden van een groep te vernietigen.

Lees ook: 50.000 stapelbedden: op dit eiland wil Banglades Rohingya-vluchtelingen onderbrengen

De VN-missie sprak met 875 ooggetuigen en slachtoffers. Mohib Bullah hielp hen met het vinden van de juiste personen. „Ze pakten het systematischer aan dan wij, met veel preciezere vragen.”

De juiste getuige

Eén van de zes generaals uit het VN-rapport is de baas van de 33ste infanteriedivisie, die in Chut Pyin huishield. Volgens de VN is het een van de „meest geharde en ervaren” divisies van het leger. Dorpsbewoners kregen foto’s te zien van militairen, met de vraag of ze hen konden identificeren, wanneer de militairen er waren, wat ze deden. Een inwoner maakt zich geen illusies: „Natuurlijk lezen de militairen dat ook. Ze zullen niet blij zijn. We herkenden de mannen op de foto’s, vertelden alles wat we over hen wisten.”

Zulke ooggetuigenverklaringen zijn niet genoeg voor een succesvolle strafzaak, zegt Wayne Jordash. De mensenrechtenadvocaat is betrokken bij allerlei onderzoeken. Nu bij de Rohingya, eerder in Sierra Leone en Rwanda. Getuigen van binnen de overheid (linkage witnesses) zijn nodig om tegen hun bazen te getuigen. „Burgers die generaal X hebben gezien in hun dorp, zoiets zegt te weinig. Die generaal zou in theorie geprobeerd kunnen hebben het geweld te stoppen.”

Myanmar heeft deelstaat Rakhine nog steeds afgesloten, wat de zaak nog lastiger maakt, zegt Jordash. Onderzoek ter plekke is zo onmogelijk, het vinden van linkage witnesses moeilijker. De grote omvang van de misdaden maakt de zaak nog gecompliceerder. „Ik ben wat gewend, maar was oprecht geschokt door het grove geweld en de schaal ervan. De aanklagers moeten selecteren, keuzes maken.”

Lastig is ook dat de autoriteiten de Rohingya ver vóór 2017 al onderdrukten. Gebeurtenissen in de herinnering van slachtoffers kunnen door elkaar gaan lopen. Terwijl in een rechtszaak geen twijfel mag bestaan over hun verklaringen. Jordash: „Ze moeten boven hun trauma uitstijgen en naar de feiten gaan. Hoe sneller de verhoren zijn, hoe beter.”

Snel en het Strafhof? De vooronderzoeken duren vaak al twee tot vier jaar, de rechtszaken zelf nog langer. Dit vooronderzoek is net begonnen. Jordash hoopt dat het Hof binnen één of twee jaar besluit óf er een zaak komt, dat zou al sneller dan normaal zijn.

In de kampen is bijna iedereen bereid zijn verhaal te vertellen. Inderdaad lopen hier pijnlijke herinneringen soms door elkaar. Zelfs bij leraar Mohib Bullah. Het ene moment vertelt hij over 2017, twee zinnen verder is hij in 2012, toen een kleinere zuiveringsactie plaatsvond. „We moesten met onze handen op onze rug gebonden van de vloer eten, als honden.” Bewijs heeft hij niet. „Er zijn wel ooggetuigen.”