Dorpsoudste inheemse Tlingit-gemeenschap: ‘Ook Noord-Amerika had concentratiekampen’

Hoe de ‘First Nations’ moesten assimileren In Canada moesten inheemse kinderen tot eind vorige eeuw gedwongen naar internaten om te ‘assimileren’. Nog altijd zijn velen er door getraumatiseerd.

Foto Manu Keggenhoff

‘Op een dag kwam een busje van de overheid voorrijden. Wij moesten mee, mijn broer en ik. Ik was vijf jaar, wilde niet, maar mijn ouders zouden naar de gevangenis moeten als we niet zouden meegaan.” Aan het woord is Kaushee O’Shea (63), dorpsoudste uit de inheemse Tlingit-gemeenschap van Atlin, noordwest-Canada. Ze vertelt over haar jeugd op een katholieke kostschool in Lower Post, enkele honderden kilometers verderop.

O’Shea is uitgenodigd op de lokale basisschool om haar verhaal te vertellen aan de onderbouw: tien kinderen van vijf tot tien jaar. Ze zitten voor haar op de grond. Aanleiding van O’Shea’s bezoek is een homecoming celebration: Atlin verwelkomt deze week Tlingit-dorpsgenoten die in de vorige eeuw als kind bij hun ouders zijn weggehaald, en die erna veelal uitwaaierden over Canada. Met muziek en dans, maaltijden en spirituele ceremonies proberen ze hun verleden te verwerken.

„Mijn broer zag ik nauwelijks op die school, jongens en meisjes woonden in verschillende gebouwen”, vervolgt O’Shea. „Er waren honderden kinderen, uit alle delen van het noorden. We mochten onze eigen taal niet spreken, onze eigen kleding niet dragen, niet over thuis praten. Anders kregen we straf.”

„Mocht je in het weekend naar huis?”, vraagt een meisje van acht.

„Nee, dat was veel te ver”, zegt O’Shea. „Eén keer per jaar mochten we naar huis, in de zomer. Dan was er altijd een nieuwe baby. Ik leerde ze nooit kennen, al die nieuwe broertjes en zusjes. Nog steeds ken ik ze niet goed.”

„Deed je op school wel eens leuke dingen?”, vraagt een ander meisje. Het blijft even stil. O’Shea kijkt naar haar handen.

„Nee, we deden daar geen leuke dingen”, zegt ze dan. „De nonnen waren heel streng. Er was geen liefde. Wij mochten niet naar huis schrijven. Eén keer per jaar kregen we een kaart van onze ouders. Daar zat vijf dollar bij. De nonnen staken dat geld in eigen zak.” Ze zwijgt weer. „Het was een trieste tijd.”

Vanaf 1874 runde de overheid in heel Canada een netwerk van internaatscholen. Het doel ervan was assimilatie: de inheemse bevolking moest opgaan in de blanke samenleving. Op veel scholen mochten kinderen de eerste vijf jaar helemaal niet naar huis. Pas in 1996 sloot de laatste school haar deuren. De tijd van de residential schools wordt gezien als een zwarte bladzij in de Canadese historie.

Alcohol- en drugsmisbruik.

De 1,6 miljoen inheemse Canadezen – hier niet langer indianen genoemd, maar First Nations – hebben dezelfde donkere geschiedenis als bijvoorbeeld de Aboriginals van Australië en de Inuit van Groenland. Met de komst van de westerse cultuur ging veel verloren. De rijke taal en tradities, verhalen, identiteit en diepgaande kennis van de natuur maakten plaats voor depressie en alcohol- en drugsmisbruik. Zelfmoord is de voornaamste doodsoorzaak onder First Nations-jongeren.

Het verhaal van O’Shea, verteld op kinderniveau, raakt slechts de oppervlakte van de tragiek. In de afgelopen twintig jaar werd geleidelijk meer bekend over het fysiek, mentaal en seksueel misbruik op de – veelal katholieke – internaatscholen. Naar schatting overleden er vier- tot zesduizend kinderen. De cijfers kwamen naar buiten in een rapport van de zogeheten Waarheids- en Verzoeningscommissie in 2015. O’Shea’s school in Lower Post komt daaruit naar voren als een van de beroerdste in heel Canada. De schoolleider die er in haar tijd werkte, is in de jaren 90 veroordeeld voor 28 gevallen van seksueel misbruik.

Die avond schuif ik met mijn gezin aan bij het Homecoming-diner in het dorpshuis van Atlin. De ‘witte’ dorpsbewoners zijn hiervoor ook uitgenodigd. Eerst aarzelden wij of we wel moesten gaan: we willen geen pottenkijkers zijn. De lerares van de school overtuigde ons ervan dat niet-inheemse mensen júist moeten komen, „om hun respect en steun te betuigen”. Iedereen neemt een gerecht mee, volgens lokale traditie. Wij hebben een enorme kruidcake gebakken.

Er zijn ongeveer honderd Tlingit en zo’n twintig niet-inheemse mensen. We voelen ons niet echt thuis, maar dat gevoel verdwijnt snel. „Wat goed dat jullie zijn gekomen!”, zeggen veel mensen hartelijk. Met een bord vol zoete aardappel en elandvlees nemen we plaats aan een tafel bij een oudere man. Hij stelt zich voor, maar wil liever niet met zijn naam in de krant.

„Heb je wel eens van PTSS gehoord?”, vraagt hij, uit het niets. „Posttraumatisch stresssyndroom. Wat soldaten ook hebben als ze terugkomen van een oorlog. Dat hebben wij, de overlevenden van de kostscholen. PTSS.” Hij eet bedachtzaam, met een uitdrukkingsloos gezicht. „In Europa had je de nazi’s met hun concentratiekampen”, zegt hij, als hij hoort waar wij vandaan komen. „Noord-Amerika had ook concentratiekampen, tot in de jaren 90. Wij zijn de overlevenden.”

Foto Manu Keggenhoff

Koude rillingen

Zijn verhaal geeft ons koude rillingen. In zijn familie is hij de derde en laatste generatie die naar Lower Post moest. „Maar mijn kinderen dragen ook de gevolgen”, merkt hij op. „En hun kinderen.” Twee van zijn kinderen hebben zelfmoord gepleegd. Hij vertelt dat de gedetailleerde getuigenissen die hij heeft afgelegd over het misbruik in Lower Post, hem tien jaar hebben teruggezet in zijn verwerkingsproces.

De Homecoming in Atlin vindt hij een goed initiatief. „Het is de eerste”, merkt hij op. „Na al die jaren. Nu pas zijn we er klaar voor.”

De eettafels gaan aan de kant. Een band van oudere Tlingit-mannen begint countrymuziek te spelen. „Oh Lord, now we need you more than we ever did before”, zingt de bandleider. Een ouder echtpaar danst in tedere omhelzing. Kleine kinderen zwieren elkaar in de rondte. Een vrouw van een jaar of veertig swingt in haar eentje, de armen in de lucht. De rest blijft langs de kant zitten. Ouderen kletsen met elkaar. Dertigers ruimen de borden op. Tieners kijken op hun telefoon.

Canada begon in 2008 met een formeel proces van Verzoening (Reconciliation). In dat jaar werd de Waarheids- en Verzoeningscommissie opgericht en maakte toenmalig premier Stephen Harper officieel excuses aan de slachtoffers van de internaatscholen, namens de Canadese overheid. Maar Verzoening gaat niet alleen over de internaatscholen, benadrukt de Commissie. Verzoening gaat breder: over „het creëren en handhaven van een wederzijds respectvolle relatie tussen inheemse en niet-inheemse mensen in dit land. Om dat mogelijk te maken, is bewustzijn nodig van het verleden, erkenning van het kwaad dat is aangericht, boetedoening, en actie om gedrag te veranderen.”

In het kader van de Verzoening vindt sindsdien onderzoek plaats naar de misstanden, evenals publieke discussies, voorlichting en onderwijs. Er zijn subsidies, belastingvoordelen en andere vormen van overheidssteun voor First Nations. De Verzoening staat overigens los van het juridische traject rond inheems grondbezit. Dat traject is zeer controversieel en nog altijd niet afgerond.

Hele dorp een drankprobleem

De Verzoening zelf is ook controversieel – en de subsidies al helemaal. Dat merk ik tijdens een avond met vrienden bij een haardvuur in een blokhut, een week voor de Homecoming. We spreken over een nabije gemeenschap, Ross River, die in een vicieuze cirkel verkeert van werkloosheid, alcohol en algehele uitzichtloosheid. „Maar die subsidies lossen niks op”, zegt iemand. „Ze creëren alleen maar afhankelijkheid. Juist door die subsidies kunnen mensen de hele dag op de bank blijven liggen.”

Een andere aanwezige ziet het genuanceerder. „Als je nooit geleerd hebt ’s ochtends op tijd op te staan, of je schoolwerk te doen”, zegt hij, „omdat je ouders, en je grootouders, te gebroken zijn het goede voorbeeld te geven… En als je hele dorp een drankprobleem heeft… Dan moet je als jongere wel héél sterk in je schoenen staan om zelf die cirkel te doorbreken.”

En áls iemand zich al aan die ellende ontworstelt, vraag ik, hoe zit het hier dan met de gelijke kansen? Ik vertel over het recente Nederlandse onderzoek dat liet zien dat een cv met een Arabisch klinkende naam erboven veel minder kans geeft op een positieve reactie dan precies hetzelfde cv met een Nederlandse naam. “Dat speelt hier ongetwijfeld ook”, reageert iemand.

Gebrek aan hoogopgeleide Tlingit

Een van de vrienden heeft een eigen bedrijf. Ze vertelt over nieuwe aanbestedingsregels, die voorrang geven aan First Nations. „Ik heb dertig jaar ervaring”, zegt ze. „En nu leg ik het af tegen iemand die net komt kijken. Kwaliteit speelt geen rol meer, alleen afkomst. Dat kan ook niet de bedoeling zijn.” Als compromis, zo vertelt ze, kunnen bedrijven een offerte uitbrengen samen met inheemse collega’s. Samenwerking kan beide partijen vooruithelpen – en is ook een doel van de nieuwe regels. „Dat heb ik één keer gedaan”, vertelt ze, „voor een project van een week. Vervolgens kwam die persoon de hele week niet opdagen.”

Foto Manu Keggenhoff

Kun je dat diegene kwalijk nemen? En bovenal: wat is dan wél de oplossing? Niemand weet het. De term ‘sterke leider uit de eigen gemeenschap’ valt een paar keer. Maar brain drain is een groot probleem: veel talentvolle jongeren keren na hun opleiding niet terug naar hun eigen dorp.

Dat zegt ook Joan Jack, advocaat en vooraanstaand lid van de Tlingit-gemeenschap in Atlin. Ik bezoek Jack een paar weken voor de Homecoming in haar zelfgebouwde houten huis in de inheemse wijk buiten Atlin. Overal in haar huis hangen opbeurende spreuken over moed, eigenwaarde en volhouden.

„Er zijn hier nauwelijks hoogopgeleide Tlingit”, zegt Jack. „Daarom runnen witte mensen hier het dorp. En de school. Ja, er is af en toe een excuuslesje over de Tlingit. Maar het onderwijs is wit. Dat moet echt veranderen.”

Is de Verzoening ooit klaar? „Nee, het is nooit klaar”, antwoordt Jack fel. „Witte mensen klagen vaak: ‘Is het nu eens afgelopen? Get over it’. Maar wij kúnnen er niet zomaar overheenstappen. Het trauma duurt voort. En het blijft voortduren, zolang de discriminatie blijft bestaan, en de ongelijke kansen. Zolang de overheid niet zegt: wij draaien zaken écht terug, wij zorgen dat jullie weer werkelijk beschikking krijgen over jullie grondgebied.”

Toch vindt Jack zichzelf een optimist. „Ik moet wel”, zegt ze. „Anders kon ik er beter meteen een eind aan maken.” Ze wordt emotioneel. „Mensen noemen míj een racist. Maar ik benoem de dingen zoals ze zijn. Witte mensen zijn daar bang voor, want ze hebben geen idéé.”

Dat is ook precies wat onze tafelgenoot zegt tijdens het Homecoming-diner, als hij vertelt over zijn kostschooltijd. „Je hebt geen idee. Het is onvoorstelbaar wat daar is gebeurd.” Hij doopt zijn laatste stukje brood in zijn elandjus. „Maar we zijn er nog. They tried to get rid of us, but we’re still here.