Opinie

Braderieverbod

Marcel van Roosmalen

Op weg naar de boekhandel Stumpel te Krommenie, een culturele oase in niemandsland, belandden de jongste dochter en ik in een braderie. Een slang van meer dan tweehonderd kramen met handelaren in friet, poffertjes, barbecuevlees, ijs en snoep. Halverwege had ik al spijt dat we niet waren omgefietst, maar dan is er geen weg meer terug.

‘Waarom is dit nog niet verboden?’, vroeg ik mezelf hardop af, terwijl ik ons tussen de op elkaar geperste, soms ontblote lichamen worstelde.

Misschien komt het door mijn jeugd, in het kielzog van mijn ouders sleepten we ons vele zomers over de Velleper Donderdagen, maar braderieën maken het slechtste in me los. Ik snap de aantrekkingskracht van het ‘feest’ niet. Mensen met genoeg voedsel om de botten komen hun huizen uit om zich te vergapen aan kramen vol ongezond eten. Allemaal producten die ze al kennen. Nut heeft het dus niet, behalve dan als je thuis geen eten hebt, maar dat is bij bezoekers van braderieën nooit het geval. In tegendeel: de meesten zien eruit alsof ze thuis te veel eten hebben. De mensen komen ook helemaal niet om te eten. Nee, ze komen om te vreten. Voor het naar binnen proppen van slechtbereide vette en/of zoete troep.

Eten terwijl je geen honger hebt. Vullen om te vullen, want iets beters weten ze bij mooi weer niet te doen. Waar moet je anders op een mooie zaterdag naartoe op je elektrische fiets?

Voor de goede gesprekken hoef je het ook niet te doen.

Het is nooit de fine fleur die je tegenkomt.

Wel een geweldige botsing gezien tussen een hamburgeretende en eentje met een karton vol poffertjes. Alsof we naar een slowmotion van een ramp keken.

Een vies, zacht ploffend geluid.

Poffertjes tegen een wit T-shirt, hamburger op de grond. Levenloze blikken die elkaar vonden in ellende.

Geen conversatie, alleen gevloek.

De hamburger werd met de punt van de schoen in de goot geschopt.

Hij ging een nieuwe halen.

„Eten!”, riep mijn dochter vanuit het zitje.

Ze is twee en al goed in staat om de juiste conclusies te trekken, hoewel het haar niet echt moeilijk werd gemaakt in die wolk van baklucht. Ik hield haar voor dat er een wedstrijd zo vies mogelijk eten aan de gang was, en dat we al heel wat kanshebbers hadden ontmoet.

„Dat gaat nog spannend worden, Leentje”, zei ik.

En toen moesten we nog tegen mijn nieuwbakken rijschoolleraar opbotsen, die een enorm stuk gebraden kibbeling in zijn mond liet glijden alsof het een haring was. We moesten wachten tot hij zijn mond leeg had, toen het zover was zei hij ‘hoi’.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.