Is A’dam wel of niet een ‘fietshoofdstad’?

Net terug van een fietstocht door Noord viel mijn oog op de brief ‘De fietsstad is de sleutel tot een schonere toekomst’ (A’dambijlage 25 mei). Helemaal mee eens natuurlijk. De aansporing aan mij gericht, „spring op de fiets”, was daarbij goed bedoeld, maar overbodig (ik bezit niet eens een auto).

Toch blijven een paar punten steken. Mij wordt in de mond gelegd dat ik het onbegrijpelijk vind „dat Amsterdam zich een fietshoofdstad durft te noemen”. Op zichzelf is met die term niets mis; in de hoofdstad wordt inderdaad gewerkt aan verbetering van fietsvoorzieningen. Maar de veel gehoorde stelling ‘Amsterdam fietshoofdstad van de wereld’ klinkt toch net even anders.

De term ‘fietshoofdstad’, zo wordt gesteld, zou voortgekomen zijn uit „nuchtere internationale vergelijking, die vaker door buitenlanders wordt gemaakt dan door Amsterdammers” – maar door die Amsterdammers wel gretig overgenomen.

Maar wat wordt er dan vergeleken? Vergelijkingen van dit type zijn niet relevant wanneer alleen Amsterdam wordt beschouwd, en niet de rest van het land. Ik zou ook niet graag fietsen in Napels of Parijs, maar doe het wel – en met veel plezier – in Utrecht, Nijmegen en Groningen. Nederland staat vol met ‘fietshoofdsteden’. Zo zijn ook de fietsvoorzieningen bij Utrecht CS zeker een fietshoofdstad waardig.

Maar nog één ding waarin Amsterdam zich wel degelijk onderscheidt van de andere steden: de fietsende toerist. Wel duurzaam, maar ook hinderlijk en soms gevaarlijk. Alle verbeteringen aan de fietsinfrastructuur ten spijt: hier ligt nog een probleem. Wat daar aan te doen?

Klaas KalkwiekAmsterdam