Opinie

    • Caroline de Gruyter

Europa is van de harde werkers over de grens

In Europa

Met alle respect voor die Roemenen die vorige week zondag, in tientallen steden in Europa, urenlang in de brandende zon moesten wachten tot ze konden stemmen – áls ze al konden stemmen. Maar die paar foto’s van lange rijen burgers uit het ene EU-land die in een ander EU-land wonen en werken, maakten wel in één klap duidelijk dat Europa er niet alleen is voor ‘kosmopolitische elites met hun cultuurrelativische wereldbeeld’, zoals sommigen weleens beweren.

In de verste verte niet.

De meeste Europeanen die in andere Europese landen wonen en werken, horen helemaal niet tot de elite. De grootste groep ‘mobiele Europeanen’, dat zijn de 3,4 miljoen Roemeense arbeiders overal op het continent, hotelpersoneel en bouwvakkers die je zelden ziet of hoort maar die zich for once in een paar indrukwekkende beelden lieten vangen omdat ze allemaal tegelijk naar een Roemeens consulaat waren gekomen. Tot die groep horen ook de vele Portugezen in Frankrijk, Zwitserland en België. Zij zijn gekomen als conciërges en dienstbodes, en nooit meer vertrokken. Zij zijn het, die hun land met keihard werken uit een diepe armoede hebben getrokken – precies wat de Roemenen nu doen. Tot deze Europeanen horen ook Fransen in Londen. Sommigen bankieren in de City, maar het gros loopt zich in restaurants in Soho en flagship stores op Bond Street het vuur uit de sloffen voor 9 pond per uur. Die Europeanen, dat zijn ook Bulgaarse en Slowaakse verpleegsters die de mantelzorg in Wenen draaiend houden, twee weken op, twee weken af. Het zijn Britse zestigers die op vroege pensioentjes overwinteren aan de Costa del Sol: doodgewone burgers met een Cockney-accent die Ryanair vliegen. Het zijn jonge Zweden, die je verhuisdozen in Oslo uitpakken en lattes maken in Noorse koffiebars. Het zijn de kinderen en kleinkinderen van Italiaanse mijnwerkers in de Belgische Borinage, die nog altijd Italiaanse paspoorten hebben.

Er zijn 17 miljoen van dit soort ‘mobiele Europeanen’. Als je alle seizoenarbeiders meetelt, en de 2 miljoen die dagelijks voor hun werk de grens oversteken, kom je op 20 miljoen – oftewel 4 procent van de Europese bevolking.

Voor diegenen die nu weer ontstemd roepen, ‘Zeg geen Europa als je de EU bedoelt!’: Zwitserland en Noorwegen horen hier evengoed bij. Ze zitten niet in de EU, maar wel in Schengen. Ze doen mee aan het grootste deel van de interne markt, en nog veel meer. Niemand dwingt ze. Zij willen dit zelf.

De aanname is vaak dat Europese integratie een project is van ‘waanwijze wereldburgers’, moraalridders die het volk met morele dwang een politiek correcte levenswijze opdringen. De praktijk is, alweer, compleet anders. Juist mobiele Europeanen, voor wie deze integratie een realiteit is en die met de voor- én nadelen moeten leven (ooit geprobeerd alle ziekenfondskosten terug te krijgen?), stemmen vrijwel niet bij de Europese verkiezingen. Als ze dat deden, zouden ze goed zijn voor 26 zetels in het Europees parlement. Maar vorige keer registreerde 8 procent zich en ging maar 5 procent stemmen. De bureaucratische en logistieke rompslomp is gigantisch. Er is weinig tijd om je te registreren. Velen herkennen zichzelf niet in de kandidaten, die zichzelf nationaal profileren omdat elk land zijn eigen Europese verkiezingen organiseert, met nationale lijsten. Dit jaar werden veel Europeanen met geldige stembiljetten bij Britse stembureaus weggestuurd. En die Roemenen stonden in de rij vanwege een anti-corruptiereferendum in Roemenië.

Het wordt tijd voor paneuropese partijen en kieslijsten. De politiek wordt steeds Europeser en 20 miljoen Europeanen zijn nauwelijks vertegenwoordigd. Juist gewone mensen die Europa van de grond af opbouwen, hebben er politiek het minste greep op.

Daar zou de échte ‘Europese elite’ zich wel wat drukker over kunnen maken.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.