Waarom heeft een ei de vorm van een ei?

Durf te vragen Hoe komen die eieren eigenlijk aan hun kenmerkende vorm? Komt het door het legproces?

Foto iStock

Iedere zichzelf respecterende eiertikker weet: puntig wint van stomp. Wie bij het zondagochtendontbijt z’n tafelgenoten uitdaagt voor een onschuldig spelletje eitje tik, kiest het liefst een spits exemplaar – daarmee is de schaal van de tegenstander gemakkelijk te doorboren. Maar hoe komen die eieren eigenlijk aan hun kenmerkende vorm, vraagt NRC-lezer Marjolein Ruppert uit Driebergen zich af in een e-mail.

Heeft de vorm wellicht te maken met het legproces? Bij mensenbaby’s vervormt hun hoofd tenslotte ook tijdelijk in het geboortekanaal – zou er bij een ei in een eileider iets soortgelijks gebeuren? Dat zóú kunnen, noteerde de Britse zoöloog John Bradfield eind jaren veertig toen hij eivorming in een röntgenapparaat onderzocht en zag dat het nauwste deel van de eileider – de isthmus – taps toeloopt. In die isthmus wordt het ei voorzien van een membraan, en krijgt het zijn vorm. Pas daarna ontstaat de harde schaal. Mogelijk zorgt de kegelvorm van de isthmus er dus voor dat het ei aan één kant puntiger wordt: het puntige deel komt ook als eerste naar buiten.

Niet waterdicht

Toch is die theorie niet waterdicht, schrijft de Britse ornitholoog Tim Birkhead in zijn boek The most perfect thing – inside (and outside) a bird’s egg. Want de vorm van vogeleieren verschilt per soort: uilen hebben bijvoorbeeld ronde eieren. Betekent dat dan dat ze een andere isthmus hebben, of dat het ei ronddraait in de eileider? Of speelt de vorm van het bekken een rol?

In feite weten we alleen dát de eiervorm verschilt per soort, schrijft Birkhead: van ellipsvormig bij de kolibrie tot puntig aan beide kanten bij de kuifduiker tot peervormig bij de zeekoet.

„De vorm van een ei heeft gewoonlijk een doel”, schreef de Duitse zoöloog Oskar Heinroth in 1938 in zijn boek Aus dem Leben der Vögel. Maar wélk doel dat precies is, daarover lopen de speculaties uiteen.

Zo is er de aanlokkelijke theorie dat de zeekoeteneieren puntig zijn omdat ze dan minder snel de zee in rollen vanaf de steile kliffen waarop ze worden uitgebroed. Bij een onderzoek met gipseieren leken puntige eieren inderdaad in het voordeel te zijn – maar achteraf bezien was het verschil niet significant, schrijft Birkhead. Bovendien zijn gipsen eieren wezenlijk anders dan echte eieren.

Vorm van een pingpongbal

Andere theorieën: bij waadvogels zouden de spitse eieren ervoor zorgen dat ze makkelijker te verstoppen zijn, kleine vogels zouden langgerektere eieren leggen omdat die beter in hun lichaam passen en in het algemeen zou vorm invloed kunnen hebben op de temperatuur van het ei.

Verschillen in vorm zijn uiteraard niet alleen terug te vinden bij vogeleieren. Op de website van de Sea Turtle Conservancy staat dat de eieren van een zeeschildpad „de vorm en grootte van een pingpongbal” hebben. Ook kikkerdril is rond. Eieren van hagedissen en krokodillen zijn juist weer vrij ovaal – ook hierbij zou temperatuur een rol kunnen spelen.

Niet alleen tússen soorten kan de vorm verschillen. Aan de kippeneieren aan de ontbijttafel is goed te zien dat er nogal wat onderlinge variatie mogelijk is. Soms fokken pluimveehouders daar zelfs op, staat te lezen in Houden en fokken van raskippen, een handleiding voor beginners van Henk Slijkhuis. Per fokpaar wordt dan bijgehouden welke vorm de eieren hebben. Maar wie écht graag wil winnen, tikt natuurlijk gewoon met een gipsen zeekoetei. Succes verzekerd.

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een veelgestelde vraag. Ook een vraag? durftevragen@nrc.nl