Muis minder sociaal met darmflora van autistisch mens

Autisme Het verstoorde gedrag dat hoort bij autisme kan deels worden overgebracht op muizen via de darmflora van mensen met autisme.

Laboratoriummuis.
Laboratoriummuis. Foto wikipedia

Muizen met de darmbacteriën van mensen met autismespectrumstoornis (ASS) in hun spijsverteringskanaal zijn minder sociaal en laten meer repeterend gedrag zien dan muizen met de darmbewoners van mensen zonder ASS. In hun brein zijn ook talrijke veranderingen te zien in de activiteit van risicogenen voor autisme. Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers donderdag in het wetenschappelijke tijdschrift Cell. De oorzaak zou een gebrek kunnen zijn aan bepaalde stofjes die darmbacteriën maken.

ASS is een ontwikkelingsstoornis die maakt dat mensen moeilijker contact leggen en communiceren met anderen en vaak herhalend gedrag vertonen. In Nederland heeft ruim 1 van elke 100 mensen ASS.

Voor een belangrijk deel is ASS erfelijk bepaald, er zijn honderden betrokken genen bekend. Maar ook omgevingsinvloeden spelen een rol. Recent onderzoek wijst uit dat de samenstelling van de micro-organismen in het maagdarmkanaal, het zogenoemde microbioom, ook van invloed zou kunnen zijn. Het microbioom van mensen met ASS verschilt van dat van mensen zonder stoornis, met name wanneer ze ook maagdarmklachten hebben. Dit komt bij hen vaak voor.

De Amerikanen gebruikten muizen die geboren waren in een kiemvrije omgeving, en daardoor zelf geen bacteriën in hun maagdarmstelsel hadden. Mannetjes en vrouwtjes kregen via poeptransplantatie ofwel het microbioom van mensen met ASS, ofwel dat van controleproefpersonen. Hun muizenkinderen, die hun darmbewoners weer van hun ouders kregen, onderzochten ze.

De muizen met het ASS-microbioom vertoonden meer repeterend gedrag en minder sociale interactie. Van de twintig glazen knikkers in een kooi begroeven ze er vaak meer dan de helft onder het zaagsel, terwijl de meeste soortgenoten met het normale microbioom er veel minder begroeven. Ook hadden ze vaak niet langer dan veertig seconden contact met een onbekende soortgenoot; controlemuizen tot twee keer zo lang.

De Amerikanen concluderen dat het microbioom bij muizen het gedrag kan beïnvloeden via de stofwisselingsproducten van darmbacteriën die op het brein inwerken. Dit zou wellicht kunnen bijdragen aan het ontstaan van ASS. Maar meer onderzoek is nodig. Of bijvoorbeeld poeptransplantaties in de toekomst voor mensen met ASS nuttig zouden zijn, is nog zeker niet te concluderen.