Foto Bram Petraeus

‘Mijn hart is versteend door wat er daar is gebeurd’

Thresita Anthony (52) vertrok in 1987 tijdens de burgeroorlog uit Sri Lanka. Vrijwel haar hele familie woont nog in het land dat onlangs opgeschrikt werd door een reeks aanslagen.

‘Ze praat niet, ze hoort niet, ze ligt de hele dag in bed met wijd opengesperde ogen. Ze is in shock.” De stem van Thresita Anthony (52) breekt wanneer ze over haar nichtje Ignasiya (28) vertelt. Ignasiya zat zes weken geleden tijdens de paasmis in de Sint-Antoniuskerk in Colombo. Een collega van haar stond verderop in de kerk, ze werkten samen in een cd-winkel. Ignasiya zag hoe zijn lichaam uit elkaar plofte.

Anthony vertrok in 1987 naar Nederland, maar groeide op in Sri Lanka. Vrijwel haar hele familie woont nog daar. Tijdens de paasdagen was Anthony thuis in Soest. „Ik kwam de trap af, mijn man stond op zijn telefoon te kijken en vertelde me over de aanslagen. Ik zei: ‘oh’. Mijn hart is versteend door alles wat er in Sri Lanka is gebeurd.”

Op het eiland vormen de boeddhistische Singalezen de grootste groep. In de minderheid zijn moslims en Tamils, die hindoeïstisch, christelijk en evangelisch zijn. Tussen de Singalezen en Tamils woedde decennialang een burgeroorlog. De laatste groep wilde dezelfde rechten als de boeddhistische meerderheid, met bloedige gevechten als gevolg. Nog steeds worden Tamils en moslims achtergesteld, vertelt Anthony in haar woonkamer in Soest. „Op veel plekken maakt het niet uit of je een bepaalde school hebt afgemaakt. De banen gaan toch wel naar de Singalezen.”

Zelf is Anthony een „heel katholieke” ‘theeplantage-Tamil’. Na de Engelse bezetting van Sri Lanka in 1796 importeerden de Engelsen Tamils uit India om te werken op de koffie- en theeplantages. Deze relatief nieuwe Tamils worden volgens Anthony door veel Singalezen niet als volwaardige Sri Lankezen beschouwd. „In onze identiteitskaarten staat nog steeds indian tamil.” Toen ze dertien was, ging Anthony op de theeplantage in haar geboortedorp Haputale werken, net als alle meisjes uit haar dorp van die leeftijd. Dat moest van de dorpsmeesters, die toezicht hielden op de theeplantages. Op blote voeten, met een zware mand op haar rug, soms in de kou of regen, moest Anthony 18 kilo per dag plukken. Maar dat wilde ze helemaal niet. „Ik wilde studeren om advocaat te worden.”

Tijdens het theeplukken gebeurde het regelmatig dat de dorpsmeesters Anthony en andere meisjes probeerden te verkrachten. „Mijn oma zei: ‘als mannen jou willen verkrachten: sla een kruisje, vraag de heilige Maria om je ziel te beschermen en vecht niet, want dan beschadig je jezelf.’” Anthony valt even stil, excuseert zich. „De dorpsmeesters hebben het een paar keer geprobeerd, maar ze kregen me niet te pakken. Ik heb geslagen, stenen gegooid, geschreeuwd. Ik luister niet naar mannen.” Na twee jaar besloot ze: ‘ik ga weg.’ „Ik dacht: ‘er is meer in de wereld dan voor deze klootzakken te moeten werken.’” Anthony loopt naar de keuken om thee te zetten. Uit een kastje pakt ze een groen doosje. „Pure thee uit mijn dorp.”

Lees ook: Aanslagen verstoren wankel etnisch en religieus evenwicht in Sri Lanka

‘Overal waren doden’

Ze was vijftien toen ze wegliep van huis en introk bij een vriendin in de hoofdstad Colombo. Daar werkte ze als huishoudster om te sparen voor een opleiding. Precies in die periode, in 1983, begon de burgeroorlog. „Ik ging boodschappen doen, en mijn vriendin moest ergens anders zijn. Toen braken er rellen uit: de Singalezen wilden de Tamils uitmoorden. Mensen werden in stukken gehakt, borsten werden afgesneden, vrouwen werden op straat verkracht. Ik kon de weg naar onze kamer niet terugvinden; overal waren doden. Ondertussen was mijn vriendin, die Singalees is, mij huilend aan het zoeken. Ze was bang dat mij iets was aangedaan. Toen ze mij vond, herkende ik haar niet meer. Ik was in shock.” Datzelfde maakt haar nichtje nu door, zegt Anthony. „Ze beseft niet dat ze leeft. Een deel van haar hersenen zegt: ‘je bent dood.’ Maar dat wil het hart niet accepteren.”

Anthony kon destijds ontkomen omdat ze er niet uitzag als een Tamil. Ze had haar haren kortgeknipt, had geen stip, droeg westerse kleding en hield haar kaken stijf op elkaar om haar accent niet te verraden. „Mijn vriendin zei: ‘doe je mond niet meer open.’ Maandenlang heeft ze tegen iedereen gezegd dat ik stom was. Ze was mijn beschermengel.”

Twee jaar later, in 1985, maakte Anthony schoon bij een leraar Engels. „Op zijn bureau lag altijd huiswerk van de kinderen, dat ik tijdens het schoonmaken stiekem bekeek.” Toen de man Thresita hierop betrapte, liet hij haar de tafel van zeven opzeggen. „Hij dacht: ‘dat kind is slim!’ Ik had een poetsdoek in mijn hand. Hij pakt hem uit mijn hand en bracht me naar een hotelschool.” De eerste tweeënhalf jaar ging haar opleiding goed. Maar toen medestudenten erachter kwamen dat ze een Tamil van de theeplantage was, ging het mis. „De rijke jongens dachten: ‘dat is een makkelijke prooi.’ Ze sloegen mij en zeiden: ‘ga terug naar de theeplantage, jij hoort hier niet.’ Het was voor mij onmogelijk om examen te doen. Ik was geestelijk ziek, kreeg concentratieproblemen.”

Philips-radio en een melkmeisje

Via een andere vriendin had Anthony ondertussen een Nederlandse man leren kennen. Na de eerste ontmoeting bleven ze elkaar schrijven en toen deze kennis haar aanbood om een vliegticket naar Nederland te betalen was dat voor Anthony „een droom die uitkwam”. In Sri Lanka zou ze waarschijnlijk toch geen advocaat kunnen worden. En ze was altijd al nieuwsgierig naar Nederland geweest. „Mijn vader had een Philips-radio. Toen ik twaalf of dertien was, keek ik vaak naar die radio. Ik dacht: ‘mannen in Nederland zijn slim; er zit zo veel informatie in dat kleine ding.’ Ik was ook dol op blikjes melk. Op die blikjes stond een vrouw met melkkannen op haar schouders. Ik keek constant naar dat melkmeisje; ik vond haar leuk, in haar korte rok. Die radio en dat blikje melk, dat was Nederland voor mij.”

In Nederland ontmoette Anthony uiteindelijk haar huidige man, met wie ze in 1991 trouwde en drie kinderen kreeg. Advocaat werd ze niet, maar haar wil om op te komen voor de rechten van de theeplantagebewoners bleef bestaan. In 2004 zette ze de stichting ‘Moeders van de Thee’ op om meisjes en vrouwen in Sri Lanka naar school te laten gaan. Op deze manier wil zij hen „een beter leven geven”. Sri Lankese mannen zorgen volgens Anthony slecht voor hun vrouwen en kinderen. „In Sri Lanka bestaan geen echte mannen”, zegt ze geëmotioneerd. „Echte mannen leven in Nederland.” Voor Anthony is Ruud Lubbers zo’n man. „Lubbers is mijn grootste liefde, hij was premier toen ik in Nederland kwam. Hij had een mooie lach, was charmant, aantrekkelijk, lang, Nederlands, én hij deed heel veel voor vluchtelingen.”

Met haar stichting hoopt Anthony ook te bereiken dat Sri Lankese vrouwen iets kunnen betekenen voor de samenleving. De hoop dat de mannelijke machthebbers de situatie in het land verbeteren, heeft ze namelijk opgegeven. Het echte omslagpunt was vorig jaar november. Toen gingen Sri Lankese politici in het parlement met elkaar op de vuist. „Als kleine kinderen in de peuterspeelzaal gooiden ze stoelen en water naar elkaar. Wij vrouwen keken machteloos toe; is dit de manier waarop jullie het land willen regeren?!”

Voor deze politici draait alles om macht, zegt Anthony. „En om aan de macht te blijven, onderdrukken ze.” De problemen tussen de Singalezen, Tamils en moslims zullen volgens haar verergeren. „Deze bommen zijn nog maar het begin.”