Merlijn Doomernik

Bert Wagendorp: ‘Bij een hattrick zei mijn vader: wel bescheiden blijven’

Interview Schrijver en Volkskrant-columnist Bert Wagendorp schreef een vervolg op zijn verfilmde succesroman Ventoux. Het duurde lang voor hij als schrijver in zichzelf kon geloven.

Door het keukenraam, in de nok van een tot appartementen verbouwde kerk in Culemborg, zie je Utrecht liggen. Stadskantoor, Dom, Rabobank. „Een van mijn voorvaderen komt er vandaan”, zegt Bert Wagendorp. „Of eigenlijk kwam hij uit Duitsland, uit Warendorf, maar zoals veel Duitsers was hij huurling in het Staatse leger en zijn regiment lag in Utrecht. Op zeker moment moest hij naar Lochem en daar is hij aan een meisje blijven haken. Dat was in 1730.”

Hoe weet je dat?

„Uitgezocht. De geschiedenis van mijn oma’s familie, de Walvoorts, gaat veel verder terug, tot 1100. Dat waren Achterhoekers en die verhuisden niet. Je woonde op het domein van de landheer en je deed wat hij zei. Je was niet eens vrij om te trouwen met wie je wilde. Pas met de komst van Napoleon is dat afgeschaft. Jezus man, die verhoudingen, de onderdánigheid, zo kort geleden nog maar.”

Walvoort, zo heet een van je personages in Ventoux en Ferrara.

„Joost, ja. En Peter, die in Ventoux doodgaat, heeft de achternaam van mijn andere oma, Seegers.”

Echt iets voor de oudere man, de familiestamboom uitzoeken.

„Maar ik deed het al op mijn veertiende. Toen zat ik al in het archief in Arnhem. Ik ben altijd erg in geschiedenis geïnteresseerd geweest, ook in die van mezelf. Waar kom ik vandaan? Ik dacht: misschien kom ik wel een graaf tegen.”

Had je dat nodig?

„Haha, misschien. We waren van Groenlo naar Lemmer verhuisd, totaal ander volk daar, opstandig, anarchistisch, en daar kwam ik dan tussen als zachtaardig jongetje van acht met m’n Achterhoekse accent. Ik moest bijna vechtend naar school. Gelukkig kon ik goed voetballen.”

Waarom gingen jullie naar Lemmer?

„Mijn vader had er een baan gekregen. Hij was een fabrieksarbeider die zich had opgewerkt tot arbeidsanalist. Hier de mens, daar de machine, hoe hard kun je hem zetten zonder dat de mens kapot gaat. Mijn moeder was de dochter van het hoofd van de school in Groenlo. Tot grote weerzin van haar vader was ze naar beneden getrouwd. Misschien wilde ik daarom wel weten waar ik vandaan kwam. Ik was op zoek naar iets dat meer voorstelde dan wat we waren.”

En?

„Nooit tegengekomen. Alleen maar soldaten en dagloners. Mensen die hun hele leven voor een baas in de grond stonden te wroeten.”

Gelovig?

„Orthodox hervormd. Geen twijfel aan het scheppingsverhaal. De Bijbel werd letterlijk genomen. In Groenlo waren de meeste mensen katholiek, de hervormden maakten vijf procent van de bevolking uit. Een kleine enclave, zeer hecht. Als ik er kom en ik zie een tachtigjarige, dan is het: jij bent een Wagendorp, een kleinzoon van meester Van Schaik. Daar werd ik op mijn achtste dus opeens uit gesleurd. Ik heb het mijn ouders kwalijk genomen, dat ze me naar zo’n vijandige wereld brachten. Ik voel het nog als ik langs Lemmer rijd.”

Je ging in Emmeloord naar de middelbare school.

„Vijftien kilometer fietsen, maar wel een wereld die beter bij me paste. Mijn vrienden daar waren van die gereformeerde jongens met een Friese achtergrond, zoons van polderpioniers. Ze verzetten zich enorm tegen de mentaliteit van hun ouders van werken, werken, werken. Het was een en al blowen en zuipen daar.”

Deed je eraan mee?

„Niet aan het blowen, dat durfde ik niet. Ik heb daar een heel goeie tijd gehad. Daarna ben ik met mijn vrienden naar Groningen gegaan om te studeren. Ik deed Nederlands, omdat ik graag las. Achteraf een verkeerde keuze, het viel erg tegen, maar ik heb het afgemaakt. Ik was de eerste Wagendorp die naar de universiteit ging. Ik kon het ten opzichte van mijn ouders niet maken om het te laten mislukken.”

Wilde je schrijver worden?

„Ja, maar ik had heel lang geen idee hoe dat moest of hoe dat werkte. Mijn eerste novelle, De Proloog, uit 1995, bleef in de kast liggen tot een vriend van me tegen een uitgever zei: hij heeft een boek geschreven. Die wilde het meteen hebben. Ik was verbijsterd toen ik het in de boekhandel zag liggen.”

Waarom twijfelde je aan jezelf?

„Ja, waarom. Ik heb in dat opzicht lang weinig zelfvertrouwen gehad. Ik weet best wat ik kan, dat heb ik altijd wel geweten, ik was het jongetje dat het beste kon leren, de enige van de lagere school die naar het atheneum ging. Maar toch. Een keer per jaar organiseren mijn broer en ik een etentje in Groenlo voor onze ooms, de broers van mijn vader. Ze maken zich allemaal kleiner dan ze zijn. Mijn vader – als ik een hattrick had gescoord zei hij: nu wel bescheiden blijven. Nooit: wat goed, zeg. Dat gaat onder je huid zitten.”

Zei je moeder dat soort dingen ook?

„Ze zit in een verzorgingshuis in Velp en als Wilma” – Wilma de Rek, zijn geliefde en collega – „iets tegen haar zegt over een column die ik heb geschreven of een prijs die ik heb gewonnen, dan reageert ze niet eens. Het is zondig om je je te laten voorstaan op wat je kunt. Je hebt het niet aan jezelf te danken. God heeft het jou gegeven.”

En daar leef je nog steeds naar.

„Je zult mij nooit horen zeggen dat ik een van de meest gelezen columnisten van Nederland ben. Of dat ik invloedrijk ben. Het mag niet, het hoort niet. Dat komt daar vandaan. Maar mijn bewijsdrift komt er ook uit voort. De Proloog, Ventoux, Masser Brock, Ferrara – elke keer is het: zie je wel, je kan het. In 2000 vroeg de krant me om Jan Mulder op te volgen, vijfentwintig jaar lang het gezicht van de sportpagina’s op maandag. In het studentenhuis in Groningen lazen we altijd eerst Jan Mulder. Opeens was ik zelf Jan Mulder. Zes jaar later ging Jan Blokker weg en werd me gevraagd om hem op te volgen, een nog groter icoon. En altijd was het: hoe ga ik dat doen. Maar ook: ik kan het en misschien kan ik het wel beter. Dat is de andere kant van mijn opvoeding en die komt bij mijn opa vandaan, de vader van mijn moeder, meester Van Schaik. Voordat we naar Lemmer verhuisden zat ik bij hem op school. Hij hees me heel erg op het schild. Hij liet me een klas overslaan, waardoor ik dacht: ik ben toch wel bijzonder. Daar komt mijn basale zelfvertrouwen vandaan.”

Je opa heeft dat niet op je moeder overgebracht.

„Ze was een meisje. In haar geval was het nog wat gecompliceerder doordat ze in de oorlog getraumatiseerd is. Ik heb daar een boekje over geschreven, Een zaterdagmiddag. Ze was elf en ging met haar kleine zusje naar de bakker. Er kwam luchtalarm. Ze wilde vragen of ze mochten schuilen in het huis waar ze langs liepen. Toen viel de bom, ongeveer op haar zusje.”

Dood?

„Wat dacht je. Mijn moeder werd een totaal onhandelbare puber. Haar ouders hebben haar van school moeten halen. Ik heb er een keer een column over geschreven: hoe zo’n gebeurtenis blijft doorwerken, ook in de volgende generatie. Hoe broos het allemaal is. Van het ene op het andere moment verdwijnt je zusje. Ja, dan word je wel bescheiden. Weet je wat er nog meer gebeurde? Ze kwam dus thuis zonder zusje, maar ook zonder brood. Ze moest terug naar de bakker, langs de bomkrater. Er werd nooit meer over het zusje gepraat. Pas toen ik erover geschreven had gingen alle negen broers en zussen met elkaar bellen.”

Schrijver en journalist Bert Wagendorp. „Ik heb diepzinnige gedachten, maar ik relativeer ze altijd onmiddellijk.” Merlijn Doomernik

Komt het door die bescheidenheid dat je liever over fietsende vrienden schrijft dan over Spinoza, hoewel je zijn werk goed kent?

„Ik ben een intellectueel met de achtergrond van een academische studie en ik heb diepzinnige gedachten, maar ik relativeer ze altijd onmiddellijk. Als ik dat niet zou doen, zou ik denken: stel je niet zo aan. Dus in een column over de ondergang van de wereld schrijf ik ook over de klimop hier op het dakterras, dat ik die ga redden voor de biodiversiteit. Als ik over de biografie van Gemmeker schrijf, de kampcommandant van Westerbork, dan heb ik het ook over de Gemmeker in onszelf, maar niet over Hannah Arendt, want dat weten we nu wel. En ik laat Bart…”

Je alter ego in Ventoux en Ferrara.

„…een boek over Spinoza en wielrennen schrijven. Ik heb dat nodig om het hanteerbaar te houden. Het idee voor Ventoux kwam trouwens van een filmproducent: of ik een scenario wilde schrijven over vier mannen en de Ventoux. Ik heb dat vaak, hè. Iemand vraagt me iets en dan ga ik het doen. De mentaliteit van een Achterhoekse dagloner. Jij daar, ga jij eens dat stuk land omspitten. Zonder opdracht zou ik denken: wie zit erop te wachten?”

Ferrara was een idee van je uitgever?

„Nee, ik was benieuwd hoe het na vijf jaar met de vrienden ging. Voor mij bestaan ze echt, hè. Bijna echt. Ik heb een enorm inbeeldingsvermogen. Wat me ook weleens dwarszit, want daardoor kan ik me de verschrikkelijkste dingen voorstellen. Toen ik in Londen zat als correspondent liep ik een tijdje bij een shrink en die zei: je werkt te hard, dat voorop, maar waar je het meeste last van hebt, dat is catastrophism.”

Net als Bart in Ferrara.

„Die heeft geen rustig moment meer als zijn dochter als oorlogsverslaggever naar het Midden-Oosten is vertrokken.”

Je zult mij nooit horen zeggen dat ik een van de meestgelezen columnisten van Nederland ben

Waarom ging je naar de psychiater?

„Ik was tot 1994 sportjournalist geweest, best een goeie, met name in het wielrennen was ik een van de betere, en daarna had ik twee jaar op de buitenlandredactie gezeten, en toen kwam de post Londen vrij. Eigenlijk zou iemand anders gaan, maar ik solliciteerde toch, en een collega van me zei: Bertje, wat heeft een sportverslaggevertje daar nou te zoeken? Ik dacht: nou wil ik het zeker. Ik werd het en Pieter” – Pieter Broertjes, destijds de hoofdredacteur – „zei dat ik het wel moest waarmaken, de verwachtingen waren hoog. Dus in het eerste jaar schreef ik soms wel acht stukken op een dag. Ik werd helemaal gek. Na anderhalf jaar was het op. Ik kwam terug van een congres, de avond ervoor had ik met collega’s aan de rum gezeten, en in de trein kreeg ik een paniekaanval. Ik dacht: ik moet eruit, ik ga aan de noodrem hangen. Tegenover me zat een man The Guardian te lezen en ik bleef maar naar de koppen kijken om mezelf tot rust te manen. Pure claustrofobie. Later heb ik van twee mensen gehoord dat ze hetzelfde hadden meegemaakt na een avondje rum. Kennelijk is het een angstopwekkend middel.”

Heb je aan de noodrem getrokken?

„Ik heb de rit uitgezeten. Na die aanval heb ik nog doorgewerkt, maar toen moest ik naar Schotland voor de verkiezingen en opeens was het voorbij. Ik ben in één ruk 800 kilometer naar huis gereden en in bed gaan liggen. Dat was in 1997. Ik was veertig.”

Je bent weer beter geworden.

„Langzamerhand kreeg ik het weer onder controle. Maar ik ben sindsdien nooit meer in een vliegtuig gestapt. Erg onhandig, want mijn nieuwe boek speelt in Amerika en ik zal er toch heen moeten om research te doen. Wil je trouwens iets eten?” Hij maakt rijstwafels met kaas klaar. Als hij weer zit: „Vanaf september stop ik vier maanden met de column en dan meld ik me om te beginnen bij de stichting Valk in Leiden om me van mijn vliegangst af te helpen.”

Je geeft de vier mannen in Ferrara ook nogal wat te verwerken: verlies, ziekte, dood…

„Het hele boek, zei Wilma toen ze het gelezen had, gaat over loslaten. Bart die zijn dochter moet loslaten, David die het leven moet loslaten. Ambities, carrière, geld verdienen, seks – die mannen moeten alles loslaten. Maar het was niet zo dat ik dacht: ik ga een roman over loslaten schrijven. Het gebeurde onbewust. En ja, daarmee is het een afspiegeling van mezelf. Ik zit natuurlijk in die fase. Je bent 35, 40 jaar bezig met hard werken en dingen najagen, en op een dag denk je: hoelang nog? Bij ons is de carrousel van wie wordt de nieuwe hoofdredacteur weer losgebarsten. De vorige keer, in 2010, was ik zelf kandidaat. Nu echt niet meer. Toen kon ik de deur zelf dichtgooien, nu wordt die voor me dichtgegooid.”

Waar gaat je nieuwe boek over?

„Over een groep Achterhoekers, allemaal Walvoorts en andere mensen uit mijn stamboom, die halverwege de negentiende eeuw naar Amerika gingen om hun geluk te zoeken. In de nacht van 21 november 1847 voeren ze over Lake Michigan naar Sheboygan en tien mijl voor de kust vloog het schip in de fik. Bijna tweehonderd mensen kwamen om, veertig wisten zich te redden en een van hen, een jongetje van tien, wordt mijn hoofdpersoon. Ik loop al jaren rond met het idee, Ferrara kwam ertussendoor. Het is ook huiver dat ik het heb laten liggen. Het moet een avontuurlijke roman worden waarin die wereld van toen echt tot leven komt. Maar kan ik dat wel?”