Er zat niks anders op dan dóórgaan

Van geluk gesproken Coen Verbraak interviewt mensen over geluk. En over hoe dat soms naadloos verweven kan zijn met ongeluk. Deze keer: Bert Scholten verloor twee keer zijn geliefde.

Martien ter Veen

Bert Scholten (78) weet het nog precies: het was in 1967 in de schouwburg in Arnhem. In de pauze zag hij dat meisje dat hij weleens in de mensa had gezien. Met een kopje koffie in de hand voerden ze hun eerste gesprek. Mijnie heette ze. Hij vond haar meteen leuk. „Mijnie paste helemaal bij mij. We konden uren met elkaar praten.”

Dertig jaar zouden ze samen zijn. Ze kregen twee zoons: Fred en Rolf. „Het was een gelukkig huwelijk. We waren zó goed op elkaar afgestemd.” Op 19 december 1996 veranderde alles. Mijnie had al langer last van haar buik; de dokter wilde een foto van haar galblaas laten maken. „In het ziekenhuis werden we doorgestuurd naar de internist. Die zei: ‘Het is ernstig.’ ‘Bedoel je dat ik kanker heb?’ vroeg Mijnie. Hij knikte. ‘Het is onbehandelbaar’.”

Mijnie accepteerde haar lot ogenblikkelijk. „Toen we thuiskwamen zei ze tegen onze jongste zoon: ‘Rolf, ga ’ns even zitten. Ik moet je wat vertellen: je moeder gaat dood.’” Diezelfde avond is ze dingen gaan regelen voor haar eigen begrafenis. Het zou nog zeven maanden duren. „Ik was nucleair onderzoeker en zou in september 1997 een groot internationaal congres organiseren. Mijnie stond erop dat ik dat zou voortzetten. ‘Dit is de kroon op je loopbaan’.” Ze maakte het congres zelf niet meer mee. In de zomer daarvoor overleed ze, 57 jaar oud. „Ik heb tijdens het congres voortdurend aan haar gedacht. Het was zo verdrietig dat zij er niet bij kon zijn.” Hij was ook nog maar 57. „Er zat niks anders op dan dóór te gaan. Het hielp dat Rolf nog thuis was. Dan moet het huishouden wel blijven draaien.”

Drie jaar later boekte hij een alleenstaandenreis naar Italië. Niet bedoeld om iemand tegen te komen. „Ik wilde op reis gewoon niet tussen de echtparen zitten. Dat zou alleen maar verdriet doen.” Op een dag maakte hij met Ineke, een vrouw uit het gezelschap, een wandeling door Venetië. „En ik voelde: hé, dit moet kunnen passen.” Twee weken na terugkomst in Nederland was Ineke jarig, en ging hij op bezoek. „Het werd heel fijn tussen ons. Maar het was anders dan met mijn eerste vrouw. Dat zei ik ook tegen mezelf: ‘Je moet geen nieuwe Mijnie verwachten. Je kunt na je zestigste niet meer een volkomen nieuw leven opbouwen’.”

Zijn zoons accepteerden Ineke. „Ook omdat hun moeder dat tegen ze gezegd had. Ze heeft kort voor haar dood bandjes opgenomen met verhalen over haar leven. Daarop zegt ze expliciet: ‘Papa mag van mij een andere vrouw nemen’.”

We begrepen elkaar

Twee jaar nadat hij Ineke leerde kennen, trok ze bij hem in. Ze hadden tien heerlijke jaren samen. „Heel veel fijne dingen gedaan, een huisje in Frankrijk gekocht.” Daar zouden ze ook trouwen. De burgemeester van het dorpje zou het huwelijk sluiten. Vlak daarvoor ging Bert voor een studietrip naar Ierland. „We belden elkaar iedere avond. Op een avond nam ze niet op. Dat vond ik vreemd. Ik heb de buren gebeld. Die hebben haar gevonden in de slaapkamer. Ze had een herseninfarct gehad en had daar waarschijnlijk al een volle dag gelegen.” Daar denkt hij nog vaak over na. Als ze nou eerder was gevonden? Had ze dan nog geleefd? Ineke raakte in coma, en belandde op de intensive care. Elk perspectief op verbetering was volgens de dokters verkeken. „Op de dag waarop we zouden trouwen zijn de stekkers eruitgegaan.” Die laatste nacht sliep hij naast haar. „Ik dacht: dan hebben we tijdens onze huwelijksnacht toch samen geslapen.”

Hij was verdoofd, van binnen uitgehold. „Je denkt: waarom ik? Waarom wéér? Maar daar krijg je geen antwoord op.” De tweede keer was de rouw veel grimmiger. „De eerste keer had ik nog een kind thuis. Nu was ik veel wanhopiger. Ik was zo ongelukkig.”

Dat was de dominee van zijn kerk niet ontgaan. „Die zei tegen een gemeentelid: ga jij eens naar die zielige weduwnaar toe, om hem wat moed in te spreken.” En zo stond op een dag Frouke de Bruijn voor de deur. Het werd een verrassende ontmoeting. Zelf was zij kort daarvoor weduwe geworden. „Het klikte. We begrepen elkaar volkomen. Bij het afscheid hielden we elkaar even vast.” De volgende dag belde ze weer. En inmiddels zijn ze vier jaar getrouwd. „Ik kan echt zeggen dat ik het geluk weer heb gevonden.” Hij straalt. „Wie had dat nou kunnen denken? Het is ook niet minder dan vroeger. Het is eerder méér. Omdat we allebei weten wat verlies is, waardeer je het geluk nog intenser.” De dominee vond het geweldig. Ze heeft Bert en Frouke zelf getrouwd. „Ze was zo blij voor ons. Dat zei ze ook: de liefde spat ervan af. Dat is voor mij de moraal van het verhaal: hoe zwart het om je heen ook is, het geluk kan toch weer voorbij komen. En durf het, ondanks zo’n dubbele tegenslag, dan vooral te pákken.”

Wilt u uw eigen verhaal over (on)geluk vertellen? Mail: hetblad@nrc.nl o.v.v. Geluk