'Als je een smaakmaker op de lijst zet, moet je daar geen frontsoldaat van willen maken'

GroenLinks Het uitgesproken Kamerlid Zihni Özdil vertrok deze week. Partijen worden strenger met hun fractiediscipline.

Zihni Özdil, op de rug gezien, bij de viering van de verkiezingsoverwinning van GroenLinks in 2017.
Zihni Özdil, op de rug gezien, bij de viering van de verkiezingsoverwinning van GroenLinks in 2017. Foto: Jerry Lampen / ANP

Woensdag, een dag na zijn gedwongen vertrek uit de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks, plaatste Zihni Özdil een bericht op Facebook: „Politiek gaat over meer dan fractiediscipline. Het gaat ook over authenticiteit, over koers houden. Zonder last of ruggespraak. En zonder aanzien des persoons.”

Hoewel Jesse Klaver het in zijn inmiddels beruchte e-mail aan GroenLinks-leden had over „afspraken en vertrouwelijkheid schenden”, „ontoelaatbaar gedrag” en collega’s die zich „niet meer veilig voelden”, wijt Özdil de breuk zelf aan de verstikkende fractiediscipline.

Daarmee wijst hij op een oud, maar steeds groter politiek probleem. Partijen stellen tegengestelde eisen aan politici, en maken het daarmee zichzelf moeilijk. Enerzijds trekken ze kandidaat-Kamerleden aan met een uitgesproken profiel. Ze zijn vaak op televisie, zijn ‘dwarse denkers’, of hebben een grote achterban. Die zoektocht naar meer geprofileerde politici is zichtbaar in het percentage voorkeursstemmen dat kiezers geven. In de jaren zeventig stemde circa 10 procent van de kiezers op een andere kandidaat dan de lijsttrekker. In 2017 was dat 27 procent.

Monddood

Tegelijkertijd eisen diezelfde partijen steeds meer uniformiteit van hun politici. In de jaren zeventig en tachtig kwam het nog geregeld voor dat Kamerleden tegen de fractielijn stemden. Tegenwoordig gebeurt dat vrijwel nooit meer. Partijen, zeker als ze deelnemen aan een regeringscoalitie, willen én én: een opvallend Kamerlid dat wel braaf meestemt met de fractiestandpunten. Zoals hoogleraar politicologie Tom van der Meer (UvA) in 2017 schreef in het boek Niet de kiezer is gek: „Wie mondige, mediagenieke Kamerleden met eigen achterban selecteert, kan niet verwachten dat zij hun profiel inperken, hun eigen agenda opschorten en zich monddood laten maken nadat zij verkozen zijn.”

Van der Meer weet niet of Özdil slachtoffer werd van deze paradox. Maar: „Partijen zijn meer op zoek gegaan naar politici met afwijkende overtuigingen. Ze hopen groepen aan zich te binden, want ze weten dat kiezers steeds meer naar individuele kandidaten kijken. Eenmaal in de fractie wordt het als vanzelfsprekend gezien dat de gekozen volksvertegenwoordigers zich conformeren.”

Frontsoldaat

Myrthe Hilkens was zo’n geprofileerd Kamerlid. Ze was columnist, programmamaker en had het boek McSex. De pornoficatie van onze samenleving geschreven, toen ze in 2011 in de Kamer voor de PvdA-fractie belandde. Op het partijcongres werd ze door de voorzitter van de kandidaatstellingscommissie geprezen als „agenderend”, iemand die „tegen de stroom in roeit”.

De PvdA had in 2012 flink gewonnen en ging regeren met de VVD in Rutte II. In Den Haag, zegt Hilkens, „is het meteen wereldnieuws in de 0,2 procent van de gevallen dat er eens een Kamerlid tegen de fractielijn in stemt. Dat ontneemt de zuurstof aan de authenticiteit en het geweten van een politicus.” Zoals bij Özdil. Hilkens: „Als je een smaakmaker op de lijst zet, moet je daar geen frontsoldaat van willen maken.”

Hilkens verzette zich om principiële redenen tegen strafbaarstelling van illegaliteit, die met de VVD was afgesproken. Ze was het eens met een motie van wantrouwen tegen toenmalig staatssecretaris Fred Teeven (VVD) om de zelfdoding van de Russische activist Aleksandr Dolmatov in 2013. Maar vóór stemmen, dat kon niet.

Reconstructie: De opkomst en ondergang van een bevlogen Kamerlid

Als ze als Kamerlid van een regeringspartij in bijvoorbeeld een debat iets wilde zeggen, ging daar een ‘belboom’ aan vooraf. Daarmee werden ‘woordvoeringslijnen’ tussen de coalitiepartijen op elkaar afgestemd. „Eerst moest je langs de minister of staatssecretaris, en bij hun afwezigheid naar de politiek assistent. Het residu moest via de partijleiding naar de coalitiegenoot, daarna naar de fractiewoordvoerders, dan de gehele fractie, en als laatste de persvoorlichter. Of andersom. Maar de route was nogal gelaagd. Ik snap dat regie belangrijk is. Maar als Kamerlid dreig je in een kramp te raken.”

Hilkens verliet de fractie teleurgesteld in augustus 2013. In diezelfde periode stapte ook Kamerlid Désirée Bonis uit onvrede op. De Kamerleden Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk werden uit de fractie gezet omdat ze kritiek hadden op het integratiebeleid van partijgenoot Lodewijk Asscher, toen minister. Zij richtten Denk op.

Al in 2001 vergeleek CDA’er Ton de Kok (Kamerlid tussen 1983-1994) fractiediscipline met „het democratisch centralisme van de communistische regimes in Oost-Europa”. De Kok schreef in NRC: „Een oligarchie in de grote regeringspartijen houdt ook vandaag nog de lijnen strak uit angst voor machtsverlies.” Kamerleden buigen meestal, want: „Niet de kiezer, maar de partijtop bepaalt of je een goed Kamerlid bent.”

Er zijn grote verschillen in fractiecultuur. Sommige regeringsfracties zijn tolerant voor afwijkende meningen, zoals de VVD-fractie onder Jozias van Aartsen, tussen 2003-2006. Hij liet Ayaan Hirsi Ali min of meer haar gang gaan toen ze pleitte voor inperking van het islamitisch onderwijs, terwijl de onderwijswoordvoerders juist voor bescherming van die scholen pleitten. Maar over het algemeen, zegt politicoloog Tom van der Meer, neemt de druk gedisciplineerd te zijn toe. „Politieke partijen veranderen. Ze zetten niet alleen buitenstaanders-met-profiel op hun kandidatenlijsten, maar ook veel politieke insiders: voorlichters, ambtenaren, politiek assistenten.” Zij zijn eerder gewend om mee te buigen, waardoor de interne tweespalt groeit.

Daarbij worden regeerakkoorden steeds gedetailleerder, en is het politieke landschap versnipperd, waardoor meerderheden onzeker zijn. Dat maakt Haagse politiek angstig, veel angstiger dan bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten, waar afgevaardigden een regio, en dus een eigen achterban, vertegenwoordigen. Van der Meer: „Het is logisch dat partijen interne afspraken maken. De vraag is alleen of de discipline in Nederland soms niet te ver gaat. Partijen zijn steeds meer een middel geworden om de partijtop te ondersteunen.”