Doodgewone stamppot

Aan tafel Aflevering 5 van een serie over lekker eten. Marjoleine de Vos over koken voor gasten: moet dat per se imponeer-eten zijn?

Foto Istock

Andijviestamppot met spekjes en gehaktballen. Dat was het geworden. Omdat ik geen tijd had voor inkopen of voor uitgebreid koken. Omdat we elkaar toch al zo lang kenden. En omdat we heus wel weten dat we kunnen koken en niet te beroerd zijn om dat ook te doen. En omdat ik ineens dacht: waarom moet ik nu weer over iets Vietnamees of Noord-Afrikaans gaan zitten denken?

Een belachelijke lange reeks excuses dus, die ik niet allemaal achter elkaar, maar quasi-nonchalant gespreid, toch wel noemde, evenals de strikt biologische herkomst van de ingrediënten. En tot slot ook nog: „Ik vind zo’n stamppot eigenlijk heel lekker.” ‘Eigenlijk’.

Stamppot van andijvie is heerlijk! Dat gronderig groene van andijvie, een kruimig aardappeltje tot smeuïge puree gestampt en op smaak gemaakt met spekvet, de zachte in jus gestoofde gehaktballen en het gulzige, begerige toehappen dat je dan doet… We juichten ingehouden aan tafel en we kregen rode hoofden van het eten en het glaasje wijn erbij en daarna namen we een kopje koffie met een stukje chocola.

Gewoner kan het niet.

Maar eigenlijk is het geen eten dat je eet als je ‘mensen’ krijgt. Het is een blijk van intieme vriendschap om zoiets alledaags te eten en ook allemaal ronduit toe te geven dat je het heerlijk vindt.

Maar aan de hamvraag (nu ja) kwamen we niet toe in onze ijver om dit heel vanzelfsprekend ‘gewoon lekker’ te vinden, namelijk: waarom doen we meestal zoveel moeilijker?

Imponeer-eten bestaat al heel lang. Ik heb wel eens gelezen dat de banketten aan middeleeuwse hoven voornamelijk dienden om indruk te maken en dat er eigenlijk kraak noch smaak aan zat: vlees van oude dieren, gekookt in water, maar groots opgediend en bestrooid met de dure suiker en kaneel om te laten zien dat men het breed liet hangen. Aal werd geserveerd in marsepein, gewoon omdat het kon.

En zo is het aan hoven en bij officiële diners in zekere zin altijd gebleven: het eten diende niet om met rode wangetjes te zitten smikkelen, maar om de gasten te verpletteren met rijkdom, luxe en potsierlijke uitvindingen.

Nu is de vraag: doen wij dat ook? Gaan we voorbij aan wat we lekker vinden omdat we zo nodig ‘iets bijzonders’ op tafel moeten zetten?

Hm. Ik heb heus vooral aardigheid in iets wat goed smaakt. Maar als het iets doodgewoons is dat goed smaakt, dan voel ik toch dat ik de gasten tekort doe.

En voel ik dat als gast ook? De ijver waarmee ik nog niet zo lang geleden iemand prees die een heel gewoon pastaschoteltje op tafel had gezet, doet dat vermoeden – maar ik vond het wel echt lekker.

Zou je te nuffig kunnen worden voor je eigen smaak? Of is het als bij literatuur: dat je heus enorm geniet van een geestig en virtuoos gedicht van Annie M.G. Schmidt, maar als het erop aankomt, heb ik toch liever iets van Martinus Nijhoff. Daar ben je door gevormd, dat richt je leven, dat bepaalt je blik, zulke poëzie zet aan het denken en voelen. En hoe verrukkelijk het ook was met het schaap Veronica, of met de andijviestamppot, die verfijning, dat genot, dat is er dan weer niet. Al gaat de vergelijking lichtelijk mank, want levensveranderend waren de oeufs en gelée nu ook weer niet.

En toch was die stamppot heerlijk.