De taal van de jacht

Joël in ’t wild Wie de weg kent in de natuur, kan er goed van eten. Joël Broekaert gaat het leren. Deze keer: het theorie-examen.

Lars van den Brink

Op een boot heeft alles opeens een andere naam. Een keuken heet een kombuis. En God bewaar dat je een touw een touw noemt. Dat is een lijn of een tros. Met de jacht is het net zo. Bloed noemen we geen bloed, maar zweet. Je gaat met een ‘zweethond’ op zoek naar een ‘zweetspoor’. Uitwerpselen worden al even eufemistisch ‘boonsel’ genoemd. Bij een zwijn spreken we van de rauschtijd, bij een vos van de rans- of roltijd; in beide gevallen bedoelen we paartijd. En een haas heeft geen oren, ogen en poten, maar lepels, kijkers en lopers. We hebben het hier natuurlijk over het haas. Net zoals we spreken van het ree.

Ik kan me best voorstellen dat er ooit een tijd was waarin nette mensen liever een ander woord voor bloed en poep bezigden („dokter, ik had vanochtend zweet in mijn boonsel”). Maar overal een ander woord voor verzinnen, wekt bij mij toch altijd een zekere irritatie. Net als straattaal: afspreken met elkaar dat je huis voortaan je osso is; het is zo’n doorzichtige en inhoudsloze manier om een groepsidentiteit te creëren.

Tegelijkertijd ben ik er natuurlijk wel gevoelig voor, want wij (aspirant-)jagers delen meer dan een ‘taaltje’. Zo zat ik afgelopen maand met ruim 900 gelijkgestemden in de examenopstelling in een immense zaal. Allemaal hetzelfde doel, dezelfde zenuwen. Allemaal hetzelfde potloodje en gummetje, envelop met vragen en antwoordformulier. Dan wordt ons collectief waidmannsheil gewenst en wordt het examen aangeblazen met vier jachthoorns door jagers in vol ornaat. Daar ga ik extra mijn best van doen.

Multiple choice lijkt altijd zo makkelijk. Welke dierziekte ziet u hier? Naast een plaatje van een lever. Longworm is het sowieso niet. Leverbot herken je aan de witte vlekken. Maar deze vlekken lijken eerder de reflectie van lampen of een cameraflits. En zie ik daar niet ook een klein zwart randje? Vast een instinker. Dus koos ik voor ‘c. necrobacillose’. Stom. En ik zag twee zaagbekken aan voor bergeenden. Ook stom.

Toch kan ik vol trots mededelen dat uw verslaggever met een prachtige 8 geslaagd is voor zijn jachttheorie. U mag mij voortaan alles vragen over broedtijden van eenden en ganzen (28 dagen) en welke uilen overdag jagen (de steenuil en de velduil). Op naar de praktijk – een beest mag ik nog lang niet schieten. Gelukkig is er meer dan genoeg uit de natuur te halen zonder geweer. Zo staan de drassige oevers vol watermunt en bossen, parken en tuinen onder de klaverzuring. Heerlijk in een frisse, zomerse salade. Deze maand zouden ook de eerste wilde krentenboombesjes te plukken moeten zijn.