Recensie

Recensie Boeken

Wie plaatst Elsschot nog op een sokkel?

    • Sebastiaan Kort

De veertig artikelen die Vic van de Reijt de afgelopen vier decennia over Elsschot schreef zijn nu gebundeld in De ontdekking van Elsschot.

Vic van de Reijt (1950) beschouwde zichzelf al relatief vroeg als een echte Elsschot-liefhebber. In een in 1982 gepubliceerd stuk spreekt hij dat daadwerkelijk uit (‘Ik ben een ware Elsschottiaan’); op diverse andere momenten deelt de dan nog jonge Van de Reijt zijn opwinding over het feit dat de brieven van de schrijver van Lijmen, Kaas en Tsjip nog steeds niet op de markt zijn verschenen en dat er ook nog geen behoorlijke biografie van de man bestaat. Van de Reijt maakt zich er druk om, maar hij is misschien ook wel een beetje aan het lobbyen om die taken zélf te vervullen. Hoe het ook zij: in 1993 verschenen onder zijn vleugels de brieven en in 2011 verscheen de door hem geschreven biografie.

Van de Reijt verwachtte zelf dat hij na de verschijning van die biografie voorlopig ‘wel klaar was met de man’, maar hij bleef vrolijk doorpennen. De veertig artikelen die hij de afgelopen vier decennia over Elsschot schreef zijn nu gebundeld in De ontdekking van Elsschot, een boek dat aan de ene kant best specifiek is en dus vooral voor andere ‘ware Elschottianen’ is bestemd, maar dat vanwege de opgewekte zendelingentoon en de fijne citaten (‘Mijn letterkundige arbeid is […] als malaria, als een driedaagse koorts die een mens periodiek overvalt’) ook iemand als ik weet te bekoren, die geen ware Elschottiaan is en die daar ook niet bij in de buurt komt. Achter dat laatste zit niet eens een onderbouwd, negatief oordeel. Villa des Roses vond ik bijvoorbeeld prachtig. Misschien heeft het ermee te maken dat er voor mijn gevoel zo weinig naar Elsschot verwezen wordt. Ik kan me geen interview met een door mij bewonderde schrijver herinneren waarin Elsschot op een sokkel werd geplaatst.

Dat kan er dan weer te maken hebben dat Simon Carmiggelt al zo lang dood is. Want hij was een van de invloedrijke schrijvers (Karel van ’t Reve is een andere) die Elsschot enorm bewonderde en ook op een spreekwoordelijk kistje ging staan om dat met anderen te delen. In een artikel over deze adoratie staat een prachtig citaat. Carmiggelt zag zijn held in 1939 voor het eerst in levenden lijve bij een lezing aan de Volksuniversiteit. ‘Omdat ik nog zeer jong was trok vooral de sombere bitterheid van zijn proza mij sterk aan. Maar toen Elsschot het zelf voorlas klonk het veel lichter dan ik het zelf had ervaren. Ik zeg niet dat me dit teleurstelde, maar wel dat ik het even verwerken moest. Het moeilijkst te verwerken was het slot van zijn optreden. Hij keek, bijna olijk, de zaal in en zei, net als de nieuwslezer van de Vlaamse radio: “En hiermede is deze uitzending van het gesproken dagblad ten einde.” Niemand lachte. In de zaal zaten louter vrome bewonderaars die, net als ik, het wat fletse grapje ondergingen als een soort blasfemie.’

Overlap met de biografie is er natuurlijk volop. Daar doet Van de Reijt in een voorwoordje ook niet moeilijk over, wat sympathiek is, maar waarmee het euvel natuurlijk niet verdwijnt. Maar dat hij met dit boek ‘Borms’, de ‘Mosterdverzen’ en dat heerlijke hart-onder-de-riem voor de weifelende schrijver (‘Waar zwangerschap bestaat volgt het baren van zelf, ten gepasten tijde’) nog eens onder de aandacht brengt, daar steekt weinig kwaads achter.