Foto Merlijn Doomernik

Theo Maassen: ‘Mijn zus en ik blijven steeds meer samen over’

Dubbelinterview Theo Maassen en zijn zus Judith stonden samen al vier keer aan een sterfbed. „Theo is voor mij nu in zijn eentje ons gezin van vroeger.”

Op de tafel ligt een pistool. Altijd handig, zegt Theo Maassen terwijl hij thee maakt in zijn huis in Eindhoven. Je weet maar nooit hoe zo’n interview verloopt. „Het is nep, hoor”, zegt zijn zus Judith geruststellend. „Zeg dat nou níét”, roept haar broer. „Dan zijn we meteen onze onderhandelingspositie kwijt.”

Theo (52) en Judith (55) spreken elkaar eigenlijk wel iedere dag. Ook omdat Judith als impresario de theaterzaken van haar broer regelt. Hun vader had daar aanvankelijk nog zijn twijfels bij, zegt Theo. „Omdat we privé zo’n goede relatie hebben, leek het hem beter om dat niet te vermengen met zakelijke dingen.”

En toch loopt dat al vijftien jaar vlekkeloos. Theo zat eerst bij een ander impresariaat, maar daar wilde hij weg. „Ik wilde iemand die dat goed kan, maar ook om mij geeft. Die het beste met mij voorheeft, en aan mijn kant staat.”

Judith hoort het ondertussen met een glimlach aan, roerend in haar groene thee.

Judith is drie jaar ouder dan Theo. Na Theo werd nog hun broertje Rudy geboren. Ze groeiden op in Zijtaart, een dorpje in Brabant. De Maassens kwamen van buiten het dorp, en hadden eerder een jaar in Duitsland gewoond. Daardoor waren ze merkbaar buitenstaanders.

Laatst was Theo op een reünie van zijn klas. „Toen zeiden ze: ‘We vonden jou zó raar. Want gij kont al Duits en wij konden nog niet eens Nederlands’.”

Als de telefoon ging in de lerarenkamer, werd Judith uit de klas gehaald omdat zij zo netjes kon opnemen.

„Wij waren daar echt een exotische familie”, zegt Judith. „Niet negatief bedoeld, wij hoorden er gewoon niet bij. Daardoor hadden we best intensief contact onderling. We waren als gezin een eilandje.”

Alleen al aan de manier waarop ze aten, zag je het verschil. Judith: „Bij andere kinderen thuis aten ze soep, hoofdgerecht en toetje uit één bord. Zodat je in je yoghurt altijd nog stukjes aardappel terugvond. Wij gebruikten voor elke gang een ander bord.”

Het was een levendige familie, daar zijn ze het allebei over eens. Maar het was tegelijk een extreem gezin. Theo had bijna elke dag ruzie met Rudy. „We sloegen er echt op los. We hadden een luchtbuks. Daar werd mee geschoten, ook op elkaar.”

Wij waren daar echt een exotische familie

Judith: „De gaatjes zaten in de schoorsteen.”

Theo: „Dan zat ik ’m achterna, gooide hij de deur vlak voor me dicht waardoor er weer eens een ruit kapotging. Zat ik onder de glassplinters. Hij was drie jaar jonger dan ik, maar voor de duvel niet bang. Nu zouden we dat ADHD noemen.”

Judith: „Hij had zuurstofgebrek bij de geboorte.”

Theo: „Mijn moeder kon dat allemaal niet aan. Ze was sowieso niet zo’n moeder-moeder. Ze had genoeg aan haar eigen shit.”

Judith: „Weet je nog, Thé… als er weer zo’n dag was geweest dat jullie ruzie hadden gemaakt? Dan zat onze moeder op een van de treden van de trap met haar hoofd in de handen te wachten totdat onze vader thuiskwam.”

Theo: „Dan zei ze: ‘Ze zijn de hele dag vervelend geweest’. Kregen we allebei een tik van mijn vader. Als je aan Rudy vroeg: ‘Wat wil je later worden?’, zei hij altijd: ‘Theo’s baas’. Toch speelden we ook veel samen. Na zo’n ruzie was het vaak opeens klaar en zei ik: ‘Rudy, wil je wat drinken?’. ‘Ja, doe maar cola.’ Gingen we samen tv kijken.”

Hun vader werkte bij de Mars-chocoladefabriek in Veghel. Judith, Theo en Rudy mochten regelmatig nieuwe producten testen. „Dat was gewéldig!”, zegt Theo. „Dan kwam hij met zo’n pakketje repen thuis. Moest je proeven en een cijfer geven. Dat onze namen niet achterop alle repen staan – ‘mede mogelijk gemaakt door…’ – is eigenlijk schandalig.”

Merlijn Doomernik

Wat Judiths vroegste herinnering is aan Theo? „Dat mijn vader me meenam naar een wieg en zei: ‘Kijk, dit is je broertje’. En dat ik niets kon zien omdat ik niet over de rand kon kijken.”

Van wanneer Theo’s vroegste herinnering aan Judith dateert? Met een stalen gezicht: „Van vanmorgen eigenlijk pas… Nee, Judith is er altijd geweest. Ik heb ook geen eerste herinnering aan mijn ouders, of aan mijn rechterarm. Ik kan me nog wel de geboorte van Rudy herinneren. Ik was ervan overtuigd dat hij in een kribbe geboren zou worden, ergens in een weilandje.”

Hun broertje werd op zijn veertiende ernstig ziek. Leukemie. Hij was altijd al een kwetsbaar jongetje, in de ogen van zijn zus. „Toen hij ziek werd, zei mijn moeder: ‘Ik wist dat het geen blijvertje was.’ Hij was altijd spierwit.”

Theo: „Dat ben ik niet met je eens. Ik vond hem fysiek helemaal niet zo kwetsbaar. Rudy was een goede sporter, een prima danser ook.”

Judith: „Maar hij zag vaak zo wít. Toen we in Duitsland woonden, was hij drie. Toen hebben papa en mama hem al eens helemaal laten onderzoeken in een ziekenhuis. Omdat ze voelden: er is iets met hem.”

Rudy was een jaar of twee ziek, met een korte onderbreking waarin het beter met hem leek te gaan. Judith: „Al wisten we: als het terugkomt, zijn z’n kansen klein.”

Theo: „Hij werd ziek vlak na Tsjernobyl. En we woonden ook nog ’ns in een gebied waar altijd maar gesproeid werd. Mijn moeder was ervan overtuigd dat er een verband moest zijn.”

Judith: „Op de dag van zijn dood wilde hij een slush puppie. Die ben ik voor hem gaan halen bij de snackbar in het dorp. Hij nam er maar een paar slokjes van. Nadat hij was overleden, keek ik ’s avonds in de koelkast. Daar stond die slush puppie nog. M’n broertje was dood, maar het ijs was nog niet eens gesmolten.”

Ze stonden met z’n allen om zijn bed toen hij stierf. „De dokter had hem morfine gegeven, maar dat hielp niet genoeg. Papa liep met die arts naar de keuken en zei: ‘Kunt u hem nog meer geven?’. ‘Nou nee,’ zei die man, ‘ik zit al aan de maximale dosis.’ Maar papa drong aan. Toen heeft hij toch nog iets extra’s gegeven. Ach, wat had die jongen een pijn…”

Theo: „Waar had-ie ook alweer precies pijn?”

Judith: „In zijn hoofd.”

Theo: “Maar nu snáp ik het! Dat kwam natuurlijk door die slush puppie van jou! Dáár had ’ie die hoofdpijn van. Hebben we ’m dus totáál onnodig die medicatie gegeven.”

Rudy overleed op z’n zestiende. Zijn dood had grote invloed op hun onderlinge band, denken ze. „Je maakt dan zoiets groots mee samen.” Al reageerden ze er allebei totaal anders op.

Judith: „Ik trok me terug in mijn eigen wereld.”

Naar Theo kijkend: „En jij ging juist heel veel uit.”

Op de dag van zijn dood wilde hij een slush puppie. Die ben ik voor hem gaan halen bij de snackbar in het dorp. Hij nam er maar een paar slokjes van

Hij knikt. „Ik ben het jaar na zijn dood een vervelend iemand geweest; veel drinken, ruzie zoeken. Ik weet nog dat ik tussen zijn overlijden en zijn crematie een examenfeest had van een goede vriend. Dat vond ik superbelangrijk. Eerst dacht ik: kan dat wel, zo vlak na de dood van m’n broertje? Maar aan de andere kant: het is wel míjn broertje. Ik ben dus gewoon gegaan. Toen heb ik in de bosjes nog staan zoenen met een meisje.”

Judith: „Door de dood van Rudy ben ik een tijd te dicht bij pa en ma gebleven. Op een gegeven moment waren ze zelfs bij al mijn feestjes. Ik had de illusie dat als ik maar genoeg lawaai maakte, zij niet door zouden hebben dat mijn broertje dood was.”

Tegen Theo: „Wat gaat het veel over Rudy trouwens, hè?”

Of dat haar dan verbaast? „Eigenlijk wel. Aan de andere kant: het is er altijd. Het heeft ons ongelofelijk gevormd.”

Theo: „Jij had toen al een vriendje. Toen Rudy doodging, dacht ik: ik zal dus nooit een vrouw krijgen die erbij is geweest.”

Judith: „Ik ben vlak daarna een kippenhok gaan maken. Dat lukte helemaal niet. Rudy was heel handig, maar wij totaal niet. Papa vroeg: ‘Wat ben jij nou aan het maken? Een kippenhok?’ Toen moest ik opeens heel erg huilen. ‘Ja, omdat je dan misschien even niet merkt dat Rudy dood is.’”

Merlijn Doomernik
Merlijn Doomernik
Merlijn Doomernik

Of de band die ze hebben op vriendschap lijkt? Theo schudt resoluut het hoofd. „Voor mij is het veel groter dan dat. Al benoem ik het nooit zo.”

„Het is heel speciaal dat je broer en zus bent”, beaamt Judith. „Al waren we vroeger wel heel verschillend. Ik weet niet of we elkaar toen gevonden zouden hebben als we geen broer en zus waren geweest.”

Theo: „Jij bent wel echt een literair vwo-meisje. Ik ben een havo-rouwdouwer. Jij bent beschaafder, verfijnder. Daar kan ik me soms aan ergeren. Als ik bij Judith logeer en ze is er niet, dan ga ik op zoek naar iets lekkers in haar kastjes. En wat denk je? Alleen maar van dat reformspul. Geen theezakjes ook. Nee, allemaal van die losse thee die in van die bolletjes moet. Dan hoeft het voor mij al niet meer. Dan pak ik wel een glas water. Alles, echt álles bij jou is van kwaliteit.”

Judith: „Maar toch Thé…”

Theo, gespeeld geërgerd: „Mag ík nou even? Mag ik nou misschien ook één keer mijn verhaal vertellen, ja?” Tegen mij: „Dat stoort me ook zo aan die Judith. Mij altijd in de rede vallen…”

Judith, onverstoorbaar: „Ik weet niet of het waar is, Thé. Zoveel verschillen we nu niet meer. Hoe vaak we aan de telefoon niet over dezelfde dingen praten. We zien dezelfde films, we lezen dezelfde boeken. En als ik wil weten wat een ander ergens van vindt, dan ben jij toch de eerste die ik bel.”

Waarin ze desondanks totaal van elkaar verschillen? Judith, na diep nadenken: „Ehm… geslachtorgaan?”

Theo: „Zeker. Met name jij.”

Het is heel speciaal dat je broer en zus bent

Nee, er zijn eigenlijk vooral overeenkomsten, nu Judith er zo over nadenkt. Toen ze haar debuutroman Het nabestaan van Anna Portier aanbood bij haar uitgeverij, zei ze eerst nog voorzichtig: „Jullie zullen mij wel veel serieuzer en ernstiger vinden dan Theo.” Maar ze vonden het goed. „Ze vonden de toon gelukkig niet te zwaar en moesten om veel dingen lachen.”

Het boek is op autobiografische leest geschoeid. Hun gezin, hun dorp, ze zijn zonder veel moeite in de roman te herkennen. „Er ging toen ik het las een wereld voor mij open, ik was een aantal dingen echt vergeten”, zegt Theo. „Ontzettend knap hoe ze dat gedaan heeft. Ik ben echt trots op Judith. Haar debuutroman is veel beter dan mijn eerste programma was. Ik denk weleens dat ik vroeger in een ketel met zelfvertrouwen moet zijn gevallen. Als ik nu terugkijk, denk ik: waar was dat op gebaséérd? Het was helemaal niet goed. Jij bent het tegenovergestelde. In feite heb je veel te lang gewacht met je eerste boek.”

Judith: „Eigenlijk wilde ik al direct na Rudy over de dood schrijven. Dat kon ik toen helemaal niet. Ik zat er veel te dicht op. Maar ik had er geen dertig jaar over hoeven doen. Dat vind ik zo bijzonder aan Theo: die durft zich overal in te storten. Ik kijk met bewondering naar hem, vind hem echt heel goed in wat hij doet. Wat ik zo leuk aan Theo vind, is dat hij nooit bang is. Niet voor situaties, niet voor mensen. Hij stapt juist op enge situaties af.”

Ze heeft zich ook nooit gestoord aan de harde grappen die hij over de dood van Rudy en hun beide ouders maakte. „Theo zegt altijd van tevoren wat hij op het toneel wil gaan zeggen. Ik ben er nooit door overvallen.” En hun beide ouders maakten destijds ook geen probleem van de grappen die Theo op het toneel over Rudy maakte. Inmiddels heeft hij wel een nieuw probleem, zegt Theo: zijn twee dochters. Ze zijn nu nog klein en hebben hun vader nog nooit zien spelen. Maar goed ook, vindt hij. „Het is zestien plus-materiaal. Ik wil niet dat mijn kinderen al zo jong die smeerlapperij horen.”

Ze ontmoetten in de loop der jaren elkaars partners. Niet in alle gevallen tot genoegen. „Maar daar zeg je niks van”, zegt Theo. „Dat respectéér je. Ik weet nog wel dat ik jarig was en met een vriendinnetje op zolder sliep. We probeerden heel zachtjes te doen. Toen we beneden kwamen zei jij heel chagrijnig tegen mij: ‘Zo, jij hebt je verjaardagscadeautje zo te horen al gehad’.”

Judith: „Zei ik dat?”

Theo, op de tafel slaand: „Jaahaa!!!” Ze buigen allebei voorover van het lachen.

Merlijn Doomernik

Ze zijn de enigen die nog over zijn van het gezin van vroeger. Hun ouders zijn al jaren dood; hun moeder stierf in 2002, hun vader in 2005. Allebei aan kanker. Hun contact is nadien nog intenser geworden. In feite zijn ze nog steeds een gezin. Ze zullen de Kerst altijd samen vieren. Theo met vrouw en kinderen, en Judith met haar vriend. Daar hoeven ze niet eens over na te denken. „Je bent meer voor elkaar dan alleen maar een broer of zus. Theo is voor mij in zijn eentje toch dat gezin van vroeger. Laatst waren we samen bij de uitvaart van een tante. Ik merkte dat ze ons ook zagen als ‘het gezin’. Misschien mede omdat mijn ouders óók Theo en Judith heetten. Wij waren er ook namens hen en Rudy.”

„Dat ís toch ook zo?”, reageert haar broer. „We zíjn toch nog steeds een gezin? Zoals onze vader een beetje vader en moeder tegelijk was. Mijn moeder was de sidekick. Mijn vader was de talkshowhost, mijn moeder was Prem. ’s Morgens riep ze beneden vanuit haar bed: ‘Wakker worden! Opstaan.’ Mijn vader kwam gewoon naar ons bed toe.”

Judith: „Niet roepen, zei hij dan. Loop er gewoon even naartóé.”

Ik wil niet dat mijn kinderen al zo jong die smeerlapperij horen

Haar broer was er voor haar toen haar man Menno overleed, na een lang ziekbed. Een bijzondere en dierbare herinnering, zegt ze. „Theo had toen net een kindje. Hij kwam steevast een dag per week langs, om rond te hangen. Hij kwam niet ‘op bezoek’, hij wilde erbij zijn.”

Tegen haar broer: „Dan kwam jij binnen, vol energie. Dat vond ik heel fijn. Al moesten we altijd wel schakelen. Wij leefden in die tijd in zo’n ander tempo dan jij. Maar jij wilde erbij zijn. Anders bleef het maar bij ‘erover vertellen’. Je was er ook bij toen Menno doodging.”

Theo knikt, en zwijgt.

Judith: „Ja Thé, we hebben met z’n tweeën al aan vier sterfbedden gestaan, man.”

Theo: „Dat heeft natuurlijk iets heel intiems. Je blijft steeds meer samen over.”

Judith: „Dat bindt enorm. Hoewel die ervaring zo intens is, dat je je afvraagt of daar nu vier sterfbedden voor nodig waren .”

Theo: „Dat is de Wet van het Afnemend Grensnut.”

Judith: „Toch weet je nooit hoe het anders gegaan zou zijn. Voor hetzelfde geld zouden we heel erg uit elkaar gegroeid zijn. Ik denk weleens: misschien zijn wij samen wel méér een gezin dan wanneer iedereen was blijven leven.”