Wedloop om kapitaal ligt op de loer

Engels voetbal De finales van de Europese voetbaltoernooien gaan tussen Engelse clubs. De Premier League is al jaren de rijkste en nu ook de sterkste voetbalcompetitie ter wereld. Buitenlandse clubeigenaren blijven op zoek naar meer succes en meer geld.

Harry Kane (links) in duel met Virgil van Dijk. Zaterdag staan beide spelers weer tegenover elkaar in de finale van de Champions League.
Harry Kane (links) in duel met Virgil van Dijk. Zaterdag staan beide spelers weer tegenover elkaar in de finale van de Champions League. Foto Andrew Powell/Getty Images

Vier clubs uit hetzelfde land die de twee Europese finales spelen – woensdag versloeg Chelsea stadgenoot Arsenal in Baku – is een unicum. Nog nooit domineerde een land op zulke wijze de eindfase van het Europese clubvoetbal. Wanneer is de kiem gelegd voor zaterdag, als 22 voetballers van Liverpool en Tottenham Hotspur in Madrid het veld opstappen voor de finale van de Champions League?

Het succes van de Engelse clubs is het gevolg van een existentiële omslag. En die vond plaats op 18 mei 1992. Op die dag besloot de Australische tycoon Rupert Murdoch een Rupert Murdoch-streek uit te halen. De twintig directeuren van de beste Engelse clubs kwamen bijeen in Londen om te bepalen wie de wedstrijden mocht uitzenden. De deadline was verstreken, de clubdirecteuren gingen instemmen met een bod van ITV, toen Murdoch, eigenaar van BSkyB, met een knockout-bod kwam: 304 miljoen pond per jaar om vijf jaar lang zestig wedstrijden te tonen.

Het Engelse voetbal onderging een gedaanteverandering, schrijven Joshua Robinson en Jonathan Clegg, sportjournalisten van The Wall Street Journal, in hun boek The Club, over de opmars van het Engelse voetbal: ‘Er vond een omslag plaats van een gedoemd socialistisch model naar ongebreideld kapitalisme.’

Om die transformatie goed te begrijpen, moeten we verder terug naar de diepe crisis van de jaren tachtig. De opzet, schrijven Robinson en Clegg, was amper veranderd sinds de Victoriaanse tijd, de begindagen van de competitie. Eigenaren zagen hun clubs niet als commerciële bedrijven. Een voorzitter financierde de kosten in ruil voor status in de samenleving en aanzien in de bestuurskamer op de wedstrijddag. Sigaartje paffen, borreltje drinken.

Geldgebrek en amateurisme zorgden ervoor dat de wedstrijden allesbehalve aanlokkelijk waren. Hooliganisme, kick en-rush-tactieken en verloederde stadions teisterden het voetbal. Aan het begin van het seizoen in 1985 waren omroepbazen zo sceptisch over de aantrekkingskracht dat geen enkele zender aanvankelijk de duels wilde uitzenden, wat resulteerde in een black-out van zes weken. In die periode hadden vijf clubs – Everton, Tottenham, Manchester United, Arsenal en Liverpool – grotere ambities. De ‘Big Five’ wilde af van de gelijke verdeling van het televisiegeld over de 92 profclubs in alle divisies.

Samensmelting van bal en buis

De clubs hadden een ramp nodig om hun zin te krijgen. Na ‘Hillsborough’, het stadion waar 96 Liverpool-fans in het gedrang in 1989 omkwamen, werden staantribunes verboden en moesten clubs hun stadions verbouwen voor de veiligheid. Daar was amper geld voor. De topclubs stelden een afscheiding voor: de twintig clubs in de hoogste divisie zouden een eigen bedrijf en bijbehorende competitie oprichten. De twintig clubs mochten zelf de televisie-inkomsten houden.

Binnen een jaar was de Premier League opgericht. De tv-deal met BSkyB, later omgedoopt tot Sky, was de klapper. De transformatie kon beginnen, een samensmelting van de bal en de buis. Voetbal werd een sterrenbal, kijkcijfers net zo belangrijk als punten op de ranglijst.

Nog steeds is de structuur van The Football Association Premier League Limited, zoals de formele bedrijfsnaam luidt, eenvoudig. De Premier League heeft 21 aandeelhouders: de twintig clubs die in een seizoen op het hoogste niveau voetballen bezitten ieder een aandeel, aangevuld door een aandeel voor de Engelse voetbalbond FA. De clubs die degraderen dragen hun aandeel over aan de nieuwkomers.

Ieder aandeel in de Premier League is volgens de statuten een pond waard. Het bezit van dat papiertje levert in werkelijkheid ieder jaar meer miljoenen op. Sinds die spannende onderhandelingen in 1992 zijn de bedragen omhooggeschoten. In 2000 werd voor het eerst de grens van een miljard pond overschreden. Op een conferentie over verdienmodellen in het voetbal deze maand in Londen, splitste Premier League-topman Richard Masters uit hoeveel de organisatie de komende drie jaar verdient. Sky en BT betalen 5 miljard voor de Britse uitzendrechten. Buitenlandse zenders hebben er 4,2 miljard pond voor over om in totaal 380 wedstrijden te kunnen tonen. En voor het eerst: Amazon kocht de rechten om twintig keer per jaar Engels voetbal te streamen. De Premier League heeft een samenwerkingsverband met IMG Studios voor een productiebedrijf. Voorbeschouwingen, commentatoren, analyses, praatprogramma’s; het productiebedrijf kan vanuit het studiocomplex in Uxbridge, een westelijke buitenwijk van Londen, alles leveren aan zenders die wereldwijd de rechten kopen.

De Premier League is een succes – in Engeland, mondiaal. De stadions (96,5 procent) zitten voller dan in de Bundesliga (93,3), La Liga (71,6), Ligue 1 (64,5) en de Serie A (54), ook al liggen de ticketprijzen hoger, berekende adviesbureau E&Y in een onderzoek. Geld en een heldenstatus trekken de beste voetballers aan. De Premier League was met 108 spelers de hofleverancier van het WK in 2018, gevolgd door La Liga (87) en de Bundesliga (63).

Het monsterverbond dat de Premier League is, heeft de clubs een weg geboden rijker en zakelijk succesvoller dan ooit te zijn. Levensmiddelenfabrieken trekken naar China, Vietnam en Myanmar, waar mensen meer te besteden krijgen om meer zeep en waspoeder te verkopen. De Premier League doet niks anders. De verkapte multinational wil altijd maar meer ogen op wedstrijden krijgen. Net als Magnum-ijsjes en pakken Nederlandse melkpoeder zijn shirtjes van Manchester United of Liverpool statussymbolen in Indonesië. Een miljard huishoudens wereldwijd, op tv of online, kunnen kijken naar het groene gras van de Premier League-velden.

De hausse maakt de clubs steeds interessanter. Geld trekt geld aan, en niet alleen Britse ponden. Roman Abramovitsj kocht Chelsea in 2003. In Londen, een stad met veel rijke Russen, kon hij laten zien rijker te zijn dan de meesten. Graag toonde hij zich aan de toeschouwers in het stadion.

Meer buitenlandse eigenaren

Hoe anders is dat bij sjeik Mansour bin Zayed Al Nahyan, die in 2008 Manchester City overnam van de Thai Thaksin Shinawatra. Mansour pompte ruim een miljard pond in City, maar bezocht voor zover bekend slechts één wedstrijd. Voor hem is City een uithangbord om Abu Dhabi te promoten. Etihad, de luchtvaartmaatschappij uit het emiraat, is naamgever van het stadion en shirtsponsor.

Lees ook: Met financiële trucs werd Manchester City’s spel kunst

De redenen lopen uiteen, maar de trend is duidelijk: steeds meer buitenlanders bezitten een Engelse voetbalclub. Veertien van de twintig clubs in de Premier League dit seizoen hebben buitenlandse aandeelhouders. Wellicht komt daar snel een bij. Sjeik bin Zayed al Nehayan, de neef van City-eigenaar Mansour, heeft overeenstemming met eigenaar Mike Ashley om Newcastle United over te nemen.

Doorgaans laat het fans koud wie de eigenaar van hun obsessie is, zolang die persoon maar genoeg geld meeneemt. Ticketprijzen stijgen, maar de wachtlijsten voor seizoenkaarten zijn nog steeds lang. De meeste supporters van Manchester City zijn vooral blij dat ze een keer beter zijn dan stadgenoot United. Iedere Engelse voetbalfan weet: er is heel veel geld nodig om overeind te blijven, om ieder jaar opnieuw steeds duurdere spelers aan te trekken.

De kritiek komt pas als de fans merken dat de globalisering van hun voetbaltraditie schaduwkanten kent. De internationalisering van de Premier League heeft bijgedragen aan de populariteit van het voetbal en de ambities van liefhebbers wereldwijd. Als een Chinese, Thaise of Amerikaanse miljardair een club kan bezitten, waarom kan de hoofdstad van een Centraal-Aziatische autocratie dan niet een Europese bekerfinale organiseren?

Geen Engelse fan lag wakker van de toewijzing van de finale van de Europa League aan Baku, de hoofdstad van Azerbajdzjan. Tot bleek dat fans duizenden kilometers moesten reizen om de finale tussen Chelsea en Arsenal te bekijken en vooral toen bleek dat decennia oude politieke spanningen tussen het gastland en Armenië ervoor zorgden dat Arsenal-middenvelder Henrik Mchitarjan niet mee kon spelen.

Dat was een incident. Een structureel probleem is dat rijke eigenaren, zowel binnen- als buitenlands, met hun geld succes willen kopen, terwijl prijzen winnen van zoveel meer afhankelijk is – tactiek, scouting, chemie, blessures, geluk en toeval. „De onzekerheid van verdienste is de vijand van winst”, concludeert James Montague in The Billionaires Club, zijn reportageboek over de buitenlandse voetbaleigenaren in Engeland.

Er ontstaat spanning tussen de belangen van de eigenaren en een van de grootste krachten van de Premier League: onvoorspelbaarheid. De organisatie is er trots op dat pas voor het eerst in tien seizoenen de kampioen, Manchester City, de titel met succes heeft verdedigd. Concurrentie creëert spanning, verschillende fans die vaker succes ervaren en dus meer kijkers.

Morrelen aan de regels

Aan de ene kant gruwelt de Premier League van een oligopolie zoals in Duitsland en Spanje, waar een of twee clubs jaar na jaar de prijzen winnen, maar tegelijkertijd morrelen de clubs aan de regels die ervoor zorgen dat de competitie spannend blijft. Vorig jaar werd afgesproken de verdeelsleutel aan te passen die bepaalt hoeveel geld clubs krijgen van de internationale tv-inkomsten. De teams hoger in de eindstand krijgen een nog groter deel van het geld. „Dit beloont nog meer behaalde sportieve prestaties op het veld”, zei Premier League-bestuurder Richard Scudamore.

Lees ook: Het nieuwe stadion van Tottenham is een vliegende schotel vol beloften

Zulke aanpassingen werken een grotere ongelijkheid in de hand. De breuk tussen de Premier League en de Championship, een divisie lager, is al compleet, rekenden journalisten Robinson en Clegg uit. In 1991/1992, het laatste seizoen voor de oprichting van de Premier League, bedroeg de totale omzet van de 22 clubs in de hoogste divisie 112 miljoen pond meer dan de totale omzet van de clubs die een niveau lager uitkwamen. „Inmiddels is dat gat gegroeid tot 3 miljard pond”, schrijven de twee in The Club.

Gevreesd wordt voor totale dominantie van Manchester City, door de oliedollars van Mansour. De concurrentie kan daar alleen aan tippen door zoals Tottenham, met een stadion van wereldklasse een nog grotere club te worden, door mee te gaan in plannen voor een Europese supercompetitie, waar de inkomsten nog hoger ligger en zonder risico’s als degradatie of vroegtijdige uitschakeling.

Een wedloop om kapitaal ligt op de loer, die ervoor zorgt dat de grootste clubs uit een geografisch klein deel van Engeland – drie uit Londen, twee uit Manchester en een uit Liverpool – nooit meer in te halen zijn.