Opinie

Hoe blonde lokken in één nacht grijs werden

Michel Krielaars bevindt zich in het appartement van een legendarische Russin. De kamers bootsen de sfeer van het dagelijks leven van de Russische intelligentsia na.

Michel Krielaars

In een zijvleugel van het Sjeremetjev-paleis in Sint-Petersburg stap ik het appartement van Anna Achmatova (1889-1968) binnen. Ik ben er vaker geweest, maar nooit, zoals nu, tijdens de Witte Nachten, waarin de zon tot laat in de avond de gevels van de huizen van een roze gloed voorziet. In de vier kamers op de tweede verdieping hangt ineens een wolkje hoop, waarnaar iedereen tijdens de Stalinterreur tevergeefs moet hebben verlangd.

Een bureau, een fauteuil, wat boeken, opgeprikte foto’s en schilderijen imiteren de leefomgeving van de dichteres. In werkelijkheid zijn alleen de eettafel, de stoelen eromheen, de sofa en het mahoniehouten kastje van haar.

Achmatova woonde hier van 1926 tot in 1952. Aanvankelijk met haar minnaar, de kunsthistoricus Nikolaj Poenin, en zijn vrouw en dochter. Na de oorlog alleen, omdat Poenin met een andere vrouw trouwde en zij een kamer aan het einde van de gang betrok. Poenin zou niet lang van zijn nieuwe geluk genieten. In 1949, tijdens een nieuwe zuivering, werd hij gearresteerd en naar een strafkamp gestuurd, waar hij begin 1953 aan ontberingen bezweek.

Het doet er niets aan af dat Achmatova in zijn huis heeft gewoond, liefgehad, gewerkt en vooral gebeden voor de vrijlating van haar zoon Lev Goemiljov, die in 1935 werd gearresteerd en in een strafkamp belandde. Het was een drukmiddel om zijn door het volk geliefde moeder het zwijgen op te leggen. In 1943 zat Levs straf erop en mocht hij tegen de Duitsers vechten. Vier jaar na de overwinning werd hij opnieuw opgepakt en kreeg hij tien jaar kamp. Pas in 1956 zou hij vrijkomen. Moeder en zoon waren geheel van elkaar vervreemd.

De kamers van het appartement bootsen de sfeer van het dagelijks leven van de Russische intelligentsia na. Beschaafde armoede, met overal cultuur. Alsof er niets belangrijkers op aarde bestaat dan een roman, een verhaal of een gedicht. Ik heb dat gevoel wel vaker als ik in Rusland ben. Poetin en Poesjkin belichamen tenslotte twee totaal verschillende werelden. De macht versus de literatuur. Troostend is dat die laatste het uiteindelijk altijd wint. Poesjkin wordt in Rusland tenslotte nog door menigeen gelezen, geciteerd en vereerd, terwijl je dat laatste niet kunt zeggen van de meeste tsaren en partijleiders, hoewel Nicolaas II en Stalin de laatste tijd behoorlijk hoog scoren in de populariteitspeilingen.

Als ik het Sjeremetjev-paleis verlaat, steek ik de Neva over en loop naar de Kresty-gevangenis. Hier zat Lev zeventien maanden gevangen, voordat hij voor de eerste keer naar de Goelag werd gedeporteerd. Hier stond Achmatova dag in dag uit in de rij om een levensteken van hem te vernemen. Uit wanhoop schreef zij tussen 1935 en 1940 haar cyclus ‘Requiem’. Als ik het aan mijn gezelschap voorlees, krijg ik een brok in mijn keel. Zoals bij het gedicht over dat wachten bij die gevangenis: ‘Ik heb gezichten langzaam zien vervallen,/ Gezien hoe angst vanonder wimpers kijkt,/ Ik heb gezien hoe lijden op de wangen/ Iets kerft dat op ruw spijkerschrift gelijkt,/ Ik heb gezien hoe lokken, zwarte, blonde,/ Tot zilvergrijs vervaalden in een dag,/ Een glimlach wegkwijnt op bedeesde monden/ En doodsangst huivert in een dorre lach./ Ik bid niet louter voor mijzelf dit uur,/ Maar ook voor wie zich daar met mij bevonden,/ Voor hen die bij die blinde rode muur/ In barre kou en juli-hitte stonden.’ Op zo’n moment besef ik opnieuw dat in die paar zinnen het wezen van Rusland is vervat.