Recensie

Recensie Boeken

Vluchten uit de stad om te flaneren over de Oostendse boulevard

Koen Peeters Een neo-romanticus zoekt echtheid, in een kunstenaarsroman die smaakt naar essay.

Illustratie: Paul van der Steen

De beginzin van Kamer in Oostende deed me denken aan Nescio: ‘Niets mooiers dan de stroom bezoekers en toeristen die op hoogdagen in Oostende het station verlaat en de stad in trekt.’ Misschien een wat particuliere associatie, maar de zin gaf me hetzelfde dubbele gevoel als de openingszin van De uitvreter, over die wonderlijke kerel die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vindt. Meent die verteller in Koen Peeters’ nieuwe roman dit? Nou ken ik Oostende niet (en ken ik wel de betonnen reputatie van de Vlaamse kust), maar hoe dan ook: níéts mooiers? Is dit een romanticus, of moet je er een ironische ondertoon in lezen?

Nu is schrijver Koen Peeters (1959), net als Nescio was, een nuchtere romanticus: iemand die hoger honing zoekt, maar zich niets op de mouw laat spelden. Zo zocht hij in zijn vorige roman De mensengenezer (2017), waarvoor hij de grote ECI Literatuurprijs ontving, dat wat zich van generatie op generatie laat doorgeven, wat boven en tussen de mensen in hangt. En hij vónd iets, iets onzichtbaars, dat toch niet (te) zweverig werd.

Zoiets zoekt ook nu het romanpersonage, weer een schrijver, alter ego van Koen Peeters, die af en toe ‘vlucht’ naar Oostende, weg van zijn baan bij een Brusselse bank. Samen met zijn schilderende vriend Koen Broucke, die schitterende landschappen optrekt uit schonkige olieverfstreken, komt hij daar: ‘het is om uit te waaien, en meer dan dat: met hem is het alsof ik door zijn ogen kan kijken. Anders, dieper. Met een groter gewicht.’

Historische sensaties

Natuur, maar vooral cultuur. Hij zoekt naar historische sensaties, en dat begint met oude verfschilfers die hij van een kozijn trekt, maar de sporen van vergaan leven zijn in Oostende talrijk, vooral van kunstenaars. Vierendertig hoofdstukken lang proberen Koen en Koen in de voetsporen te treden van wie al niet ooit over de Oostendse boulevards flaneerde, voornamelijk schilders en schrijvers: James Ensor, Joseph Roth, John Gheeraert, Jacqueline Harpman, Hugo Claus, Paul Snoek, Léon Spilliaert, Gaston Duribreux, enzovoort. Van wereldberoemd tot vergeten tot lokaal, Peeters weidt uit zonder aanziens des persoons.

Lees ook de recensie van Koen Peeters vorige roman, De mensengenezer: Wie verlichting zoekt moet wild denken

Daardoor smaakt deze ‘roman’ ook erg naar essayistiek of (kunst)historische non-fictie, ook al omdat Peeters’ benadering eerder resulteert in een reeks kleine verhalen (die enigszins willekeurig opeenvolgen), dan in een convergerend groot verhaal. In antiquariaten ziet hij onooglijks dat voor hem toch waarde heeft; uit het hedendaagse leven noteert hij toevallige gesprekken en prozaïsche waarnemingen (‘We eten nog een stuk van de voortreffelijke kaastaart’). Dat oog voor het ‘echte’ in het kleine – dat aan werk van K. Schippers doet denken – méént Peeters. Hierin zit wél het leven, lijkt zijn aanpak te zeggen. Het heeft ook iets vertederends én in de nuchterheid ervan iets pretentieus, paradoxaal genoeg, Peeters noemt zichzelf dan ook soms kleinerend ‘schrijvertje’ (ook een Nescio-verwijzing, naar ‘dichtertje’?). Er straalt een weldadige rust uit dat proza, die de niet-liefhebber misschien saaie stilstand zal noemen.

Dat maakt Kamer in Oostende een fascinerende onderneming – die je je soms doet afvragen waarom je toch geïntrigeerd blijft. Misschien omdat de stilstand vooral schijn is? Terwijl er onder de stille oppervlakte van alles woelt, zoals de zee vanuit de verte bezien stil lijkt te staan, terwijl feitelijk alles golft en stroomt?

Fulltime schrijver

Voor Peeters zou dit een soort oerboek kunnen zijn, dat zijn wording tot fulltime schrijver vastlegt (hij stopte bij de bank na het winnen van de ECI Literatuurprijs). Maar vooral brengt hij zijn neo-romantische schrijverschap hier glashelder voor het voetlicht. ‘Ik wil schrander en bedachtzaam leren wandelen, op nieuwsgierige en gevoelige wijze kijken’, schrijft Peeters. Bijvoorbeeld wanneer hij de hoed van de schrijver Duribreux opzet: ‘Als ik neerzit in de schaduw van de schrijver, met die hoed aan dat tafeltje, voel ik hoe alles groter en betekenisvol kan worden.’

Dát voel je mee – maar op andere momenten wenste je dat de kunstenaarsgeschiedenissen juist sensitiever, persoonlijker waren opgeschreven, zodat ze de hardop verwoorde ambitie dat het waarnemen ‘ons leert over de verteller zelf’ vaker waarmaakten. Niet alle waarnemingen van de ‘sympathieke titaantjes’ in Kamer in Oostende leiden tot nabijheid. Maar de pogingen van Koen en Koen om, in het ironische besef van de lichte zweverigheid ervan, het ware, echte, mooie te vinden, staan overeind. Romantische jongens zijn ze, maar aardige jongens.