Recensie

Recensie Boeken

Hier in Frankrijk waren we stront

Mahir Guven Twee broers, kinderen van een Syrisch-Koerdische vader, zien geen heil in een leven in vijandig Frankrijk. In deze actuele en harde debuutroman tol je rond in hun gedachten.

De Eiffeltoren in de Franse driekleur, kort na de aanslagen op de Bataclan, bij het Stade de France en elders in Parijs, in november 2015
De Eiffeltoren in de Franse driekleur, kort na de aanslagen op de Bataclan, bij het Stade de France en elders in Parijs, in november 2015 Foto Michael Debets/ Pacific Press/ Getty
    • Margot Dijkgraaf

Ik heb nu pas echt begrepen hoe exil voelt, wat het is, wat het met je doet, schrijft Mahir Guven in een recent autobiografisch kort verhaal: het draait allemaal om de onzichtbare barrières van de taal. Nog geen jaar geleden verliet Guven Parijs, hij had een prijs voor zijn debuutroman op zak, zegde zijn baan bij een prestigieus tijdschrift op en volgde zijn vrouw naar Hamburg. Hij begrijpt niets van de taal in dat nieuwe land, met al die woorden op ‘ach, unft en schaft’, laat staan dat hij een gesprek met iemand kan voeren of de omgangscodes begrijpt. Zo moet zijn moeder zich hebben gevoeld, realiseert hij zich nu, decennia nadat zij haar geboorteland Turkije ontvluchtte en in Frankrijk ging wonen. Guven, zoon van een Turkse moeder en een Koerdische vader, werd in 1986 in Frankrijk geboren, als stateloze vluchteling.

Zijn roman Broer, die in 14 talen zal verschijnen, draait om exil en de tot mislukken gedoemde zoektocht naar het gevoel ergens thuis te zijn – met alle gevaarlijke ontsporingen van dien. In zijn met de Prix Goncourt du premier roman bekroonde boek worstelen drie mannen, een vader en zijn twee zonen, met elkaar en met het leven. Ze botsen, knokken, schelden elkaar uit, begrijpen niets van de ander. Vader is een Syrisch-Koerdische immigrant, weduwnaar van een Française. Frans wil hij zijn, en communist. Hij werkt als taxichauffeur in Parijs en hoopt maar één ding: dat zijn zoons zijn licentie overnemen en een fatsoenlijk leven zullen leiden.

Bij de ziekenboeg

Als lezer zit je, tot aan het verrassende einde, om en om in het hoofd van de broers. De jongste zoon, verpleger in een ziekenhuis, is een naïeve, gefrustreerde idealist. ‘Parra’ maakt de situatie in Frankrijk hem, ‘iedereen had het op moslims gemunt. Wij waren een plaag die moest worden uitgeroeid. [...] Hier in Frankrijk waren we stront. Niks waard in een maatschappij die mensen gelijkheid bijbrengt. [...] Ze waren bezig de boel naar de klote te rammen en ik speelde voor janlul bij die ziekenboeg’. Frans worden? Nooit! Waarom Franse levens redden als er zoveel meer behoefte is aan verplegers in het land waar zijn familie vandaan komt, Syrië? Naïef en boos vertrekt hij met een ngo naar de ‘Sham’, de Levant.

De oudste broer is een denker, die wat bedachtzamer zijn plek zoekt. Eerst gaat hij het leger in. Dat gaat mis omdat hij niet van de drugs afblijft. Dan wordt ook hij taxichauffeur, bij de grote concurrent van zijn vader, Uber. ’s Avonds rookt hij joints op zijn balkon, wil hij alles ‘fucken, wegvliegen, de lucht doorboren, de aarde redden, wedstrijden winnen, films maken, boeken schrijven en waarom niet zwemmen in het geld. Je werd gek van elf uur per dag snobs en burgerkutten rondrijden in de stad die nooit de jouwe zou zijn’.

Je tolt rond in de gedachten van die broers, je wordt meegesleept in de maalstroom van dilemma’s en verleidingen, van onrust, verraad, leugens, geweld, frustratie en wraak – het is één grote gordiaanse knoop. Guvens taalgebruik is er de spiegel van: zijn taal is vaak die van de straat, heeft het ritme van de rap, stuitert, springt, valt, zingt, varieert, is ruw, rauw en pikt elementen waar hij ze pakken kan. Knap dat vertaalster Carolien Steenbergen de toon uit het origineel wist te behouden.

Doodleuk naar Palmyra

De spanning neemt toe, het ritme versnelt: het leven in de Sham is niet wat de jongste broer zich ervan had voorgesteld. Hij belandt in een ziekenhuis vlak bij het front en ziet hoe Libische commandanten Fransen behandelen als een minderwaardig soort apen. Ze laten hen creperen als ze geraakt worden ‘in een salvo van kalasjnikovs’. Wat doe je als je als arts ‘zwaar afgebeulde gevangenen’ in leven moet houden zodat ze opnieuw kunnen ingezet? Wat doe je als je beseft dat de artsen hun werk alleen doen ‘voor de money’? Hoe reageer je als je ziet dat de hele wereld ‘je suis Paris’ echoot, terwijl niemand ‘je suis Syrie’ roept? Wat te doen als je ziet hoe ongetrouwde vrouwen en vrouwen van strijders worden opgesloten in een ‘smerig door ratten geplaagd soort bordeel’?

‘Palmyra hebben ze verrot geschoten. Ze hakken daar hoofden af, snap je.’

Terug naar Europa. Je leven is een vergissing – opnieuw. Voor een geraadpleegde advocaat is het zo klaar als een klontje: kansloos. Het westen is te beducht voor taqiyya – ‘jongens die naar Frankrijk terugkeren en doen alsof ze de jihad hebben afgezworen. [...] En twee weken later worden ze in stukjes teruggevonden. Geëxplodeerd in een metro of concertzaal. Een nieuw soort weirde spionnen.’

Wie naar Syrië gaat is een terrorist, wie iemand die terugkeert helpt is medeplichtig, zo eenvoudig is het: ‘denk je dat iemand doodleuk even Palmyra gaat bezoeken? Palmyra bestaat niet meer. Palmyra hebben ze verrot geschoten. Ze hakken daar hoofden af, snap je. Als je op dit moment naar Syrië gaat ben je niet onschuldig.’

Ontheemd, in zijn eigen zwaard gelopen, in zijn eigen valkuil gestruikeld – het is het ultieme exil. Zijn verbeeldingskracht en zijn taalgebruik maken Mahir Guven – hard, scherp, koel en actueel – tot een belangrijke stem in de Europese literatuur van nu.