Recensie

Recensie Boeken

Op zijn hoofd stond tien miljoen dollar, toch werd hij niet gevonden

Mullah Omar Als onbetwiste aanvoerder van de Talibaan en latere leider van Afghanistan hield Omar jarenlang de hand boven het hoofd van Bin Laden. In een biografie blijft menig raadsel overeind.

Foto: Max Becherer/Polaris
    • Floris van Straaten

De eerste leider van de Afghaanse Talibaan, de eenogige Mullah Omar, is altijd een raadselachtige figuur gebleven. Een verlegen maar koppige man die zelden in het openbaar verscheen, een middelmatige spreker die amper kon lezen of schrijven en vrijwel nooit de hoofdstad Kabul bezocht. Maar tegelijk de onbetwiste aanvoerder van de Talibaan, die de Amerikanen na 9/11 noopte tien miljoen dollar uit te loven voor informatie die tot zijn aanhouding zou leiden. Toch werd Omar nooit gepakt en stierf hij in stilte in 2013, een feit dat de Talibaan nog twee jaar wisten te verzwijgen .

De Nederlandse journalist Bette Dam (1979), al jaren gespecialiseerd in Afghanistan en in 2011 en 2012 ook werkzaam voor NRC, besloot in 2012 een biografie van Mullah Omar te schrijven. Een ambitieuze opgave, want het is niet makkelijk bronnen aan te boren in een land waar wordt gevochten en velen westerlingen wantrouwen.

In afgelegen delen van het land achterhaalde ze interessante zaken. Zo zat Mullah Omar van 2001, toen hij moest onderduiken, tot zijn dood verscholen in dorpjes in het zuiden van Afghanistan. Niet in Pakistan, zoals werd aangenomen. Dam traceerde de man die hem de laatste jaren begeleidde. Deze Abdul Jabbar Omari vertelde haar dat Amerikaanse militairen tot tweemaal toe Omar op een haar na hadden gesnapt bij huiszoekingen.

Wetten van de gastvrijheid

Overtuigend schetst Dam ook hoe Omar in zijn maag kwam te zitten met Bin Laden, die zijn kwartier in Afghanistan had opgeslagen. Omar was tegen het streven een wereldwijde jihad te ontketenen, maar hij weigerde Bin Laden uit te leveren aan de VS. Dat zou een schending zijn geweest van de heilige wetten van de gastvrijheid van de Pashtun, de etnische groep waartoe hij behoorde.

Toch stelt Dams boek per saldo teleur. Dat komt vooral door de vele lacunes. We lezen veel over Omars jonge jaren maar relatief weinig over de periode na 1994, toen hij nogal toevallig Talibaan-leider was geworden. Ook over de periode na 1996, toen hij, op papier, de leider was van Afghanistan, horen we niet zoveel nieuws, terwijl je als lezer juist graag zou willen weten hoe Omar, in feite niet meer dan een half ontwikkelde dorpsmullah, het ervan afbracht een land met twintig miljoen mensen te besturen.

Slordigheden

Ook bagatelliseert Dam Pakistans rol bij de plotselinge opkomst van de Talibaan. Ze suggereert dat het om een puur Afghaanse zaak ging. Te makkelijk wijst ze de mening van de gerespecteerde Pakistaanse journalist Ahmed Rashid (die ze soms foutief citeert) en anderen van de hand dat Pakistan de beweging vanaf het begin met man en macht heeft gesteund. De tragiek van Afghanistan is juist dat buitenlandse mogendheden al ruim vier decennia proberen door steun aan bepaalde groepen greep op de gebeurtenissen te krijgen. Ook onder de Talibaan is dat helaas niet veranderd. Wat weer niet wil zeggen dat Mullah Omar en de Talibaan een speelbal waren van Pakistan. Uiteindelijk gaan Afghanen meestal hun eigen weg.

Ergerlijk ook zijn de vele slordigheden, inhoudelijk en taalkundig. Dam meldt dat president Roosevelt Afghanistan bezocht (was Eisenhower) en ze spreekt van de Pakistaanse president Benazir Bhutto (ze was premier). De lezer raakt ook nogal eens verward over de chronologie van de gebeurtenissen. Jammer dat Dam zich nergens waagt aan een beoordeling van Omars leiderschap. Misschien vond ze de conclusie daarover te ontnuchterend. Alles wijst er immers op dat de Talibaan-leider – ondanks alle mystiek rond zijn persoon – de kwaliteiten miste om zijn land fatsoenlijk te leiden.