Recensie

Recensie

Preutse memoires van Ajax-spelers

In de jaren voor en na 1980 snakte Ajax naar het internationale succes dat het het afgelopen seizoen eindelijk weer had. Maar ook in de jaren zonder succes was Ajax de club die weet hoe de wereld in elkaar steekt.

Johan Cruijff en Simon Tahamata (r) tijdens de training van Ajax bij De Meer in Amsterdam, eind jaren zeventig.
Johan Cruijff en Simon Tahamata (r) tijdens de training van Ajax bij De Meer in Amsterdam, eind jaren zeventig.

Je zult maar uit de provincie komen om de boel bij Ajax eens even flink op te schudden. Dat is vragen om problemen. Terugblikkend op het adembenemende seizoen, zei trainer Erik ten Hag in een interview in Het Parool: ‘De toon toen ik hier binnen kwam was: wij zijn Ajax en we weten hoe de wereld in elkaar steekt. Dan komt er iemand die zegt dat het toch iets anders zit. Ik heb moeten manoeuvreren en masseren om dat duidelijk te maken – en soms harde beslissingen genomen.’

Moeilijke club, Ajax. Middelpuntvliedende krachten liggen voortdurend op de loer. Lastige spelers, geslepen zaakwaarnemers, verwend publiek, rellerige journalisten: probeer je in die heksenketel maar eens staande te houden.

Keje Molenaar kan er over meepraten. Als rechtsback ‘met een soms veel te grote mond’ maakt hij ruzie met twee trainers. In zijn jeugdige overmoed schoffeert hij zelfs Johan Cruijff als die begin jaren tachtig zijn rentree maakt in stadion De Meer, eerst als adviseur en betweter van wereldklasse, later als teamgenoot. In de beste Amsterdamse traditie denkt Molenaar dat hij het voetbal destijds heeft uitgevonden, maar het ‘oudje’ blijkt er bij nader inzien toch meer kijk op te hebben. Als Molenaar dat inziet, gaat hij als een blok om: Cruijff wordt zijn idool en is dat tot diens overlijden in maart 2016 gebleven.

Geen wonder dat hij, inmiddels advocaat, zijn juridische diensten aanbiedt als Johan in 2010 de bezem door Ajax haalt. En zo raakt hij verstrikt in ‘de zogeheten revolutie’. De dolle taferelen die zich tussen 2010 en 2015 in en om de Arena en jeugdcomplex De Toekomst afspelen hebben niet ’27 slachtoffers’ geëist, zoals Molenaar beweert, maar 28. Hij is er zelf door vervreemd geraakt van zijn club.

Dat steekt. In Meesterlijk (want immers advocaat) zegt Molenaar tot drie keer toe dat De Kuip in Rotterdam hem inmiddels liever is dan de Johan Cruijff Arena, die nu toch de naam draagt van zijn held. In dat stadion voelt hij zich niet meer thuis.

Engagement

Meesterlijk en De kleine dribbelaar, over Simon Tahamata, passen in een trend. Steeds meer oud-voetballers (met een Ajax-achtergrond) publiceren hun memoires. Goed nieuws voor wie een leven lang verslaafd is aan Ajax en geen stationskiosk kan passeren zonder een sportboek te kopen. Maar beide boeken zijn ten onrechte in de markt gezet als biografieën.

Zowel Molenaar als Tahamata houdt de regie strak in handen: hun biografen zijn veredelde ghostwriters. Over hun privéleven nauwelijks een woord. Hiermee staan deze egodocumenten haaks op de exhibitionistische achtbaan van seks, drugs en tatoeages die de recente bestsellers over Wim Kieft, Andy van der Meijde en Theo Janssen kenmerken.

Lees ook: Geen fuck te doen: het leven van Theo Janssen

Molenaar compenseert zijn victoriaans aandoende terughoudendheid met een enkel citaat uit een pop song en een overdosis voetbalhumor uit de oude doos. Er moet vooral gelachen worden; met de meeste trainers en teamgenoten ligt hij voortdurend in een deuk. Coaches met wie hij het niet kan vinden (Aad de Mos en Kurt Linder) of die hem irriteren (Louis van Gaal) krijgen een sneer. Ineens is hij getrouwd en heeft hij drie kinderen; van een eerder leven met een ex weten we alleen omdat een gabber er toevallig een zin aan wijdt.

Doofpot

Ook Tahamata is preuts, maar bij hem heeft de doofpot ook een culturele component. Hij heeft even een Nederlandse vriendin, maar maakt het uit wegens bezwaren van zijn ouders tegen een niet-Molukse vrouw. Dat is, tegen de achtergrond van zijn profiel als politiek geëngageerde sporter van een gediscrimineerde minderheid, meer dan een trivialiteit. Hij laat het helaas bij deze droge mededeling.

Het optreden van Cruijff en de vernedering van Beenhakker zijn symptomatisch voor het Ajax van die periode: dolend en terend op roem uit het verleden.

Tahamata (1976-1980) en Molenaar (1980-1984) spelen voor Ajax in een onderbelichte fase van de clubgeschiedenis. De club die begin jaren zeventig drie Europa Cups won en het totaalvoetbal uitvond, is in een vrije val geraakt. Het applaus is verstomd, trainers wisselen elkaar in snel tempo op, een nieuw bestuur treedt aan, de eerste professionele zaakwaarnemers rammelen aan de poorten, Cruijff komt en gaat. Ajax snakt naar nieuw internationaal succes, maar dat blijft uit. Alleen in eigen land wordt er nog wel eens een titel gewonnen.

In die sfeer van net niet malaise maken Tahamata en Molenaar hun opwachting in de hoofdmacht. Je hoopt dat ze er in hun boeken meer dan anekdotisch over vertellen, dat ze een tijdsbeeld schetsen van hun verblijf bij Ajax. Bij Molenaar zit dat er niet in; gemakzucht is z’n handelsmerk als speler én verteller. Kenmerkend is dat hij een iconisch moment negeert: adviseur Cruijff die van de tribune afdaalt om in de dug-out plaats te nemen naast trainer Leo Beenhakker, om hem met enkele aanwijzingen te vertellen hoe het spel moet worden gespeeld. Het optreden van Cruijff en de vernedering van Beenhakker zijn symptomatisch voor het Ajax van die periode: dolend en terend op roem uit het verleden.

40.000 gulden

Tahamata, de populaire en explosieve linksbuiten die van 1976 tot 1980 flonkert in stadion De Meer, is in veel opzichten een buitenbeentje. Politiek geëngageerd in een apolitiek beroep. Te klein en te licht – waarvoor hij de spuit krijgt toegediend door wonderdokter John Rolink. De top gehaald op wilskracht, discipline, spelplezier en met de steun van zijn uitgebreide familie en hulptrainer Bobby Haarms, die zich over hem ontfermt.

Één scène in De kleine dribbelaar is goud waard. Hierin tekent Tahamata zijn eerste A-contract, onderdanig en alleen op kantoor van trainer Tomislav Ivic. Als Haarms hem daarna geruststelt en zegt dat het een goed contract is, is Tahamata verguld: als Bobby het zegt… Hij gaat bovendien veel verdienen: 35.000 tot 40.000 gulden.

Tahamata heeft dan nog geen zaakwaarnemer. Die meldt zich later, in de persoon van Maarten de Vos van het roemruchte sportmarketingbureau Inter Football. Opnieuw een tijdsbeeld: De Vos wordt niet door Tahamata benaderd, maar hem toegewezen door het bestuur van Ajax onder leiding van voorzitter Ton Harmsen. Het is diezelfde De Vos die in 1980 een belangrijke rol speelt bij het plotselinge vertrek van Tahamata naar Standard Luik.

Dit is altijd een van de kleine mysteries in de geschiedenis van Ajax gebleven. Biograaf Tonny van der Mee heeft er onderzoek naar gedaan. Resultaat: een deel van het bestuur zou destijds anti-Molukse sentimenten hebben gekoesterd, wellicht gevoed door het trauma van de treinkapingen. Er hing, schrijft hij, ‘een zweem van racisme’ over Ajax.

Oude geruchten

Een zware beschuldiging. Het probleem is: ter onderbouwing komt Van der Mee niet verder dan het herkauwen van oude geruchten, met name over bestuurslid Jan Westrik: ‘Hoewel dat nooit hardop wordt gezegd en er geen bewijs voor is, verraden subtiele opmerkingen, handelingen en blikken van Westrik dat hij geen fan is van de Molukker.’ Tja. Van der Mee had er als fan van de Molukker wellicht beter aan gedaan deze bespiegelingen voor zich te houden.

Het aardige is dat de auteur onbedoeld wél een plausibele reden aanreikt voor de transfer. Het is De Vos die Tahamata in 1980 overvalt met de telefonische mededeling dat hij moet vertrekken: ‘Dat was een enorme klap. Die kwam uit het niets. Het bestuur had met mij nog nooit gesproken over een eventuele transfer.’ Ligt het niet voor de hand dat De Vos, die warme banden onderhoudt met Harmsen, destijds een behendig dubbelspel heeft gespeeld: handelaar namens de club, makelaar van de speler? En dan vooral het eerste, en voor de bühne ook het tweede? Niet racisme, maar sportieve motieven en financieel gewin – van Ajax en De Vos – zouden dan aan de basis van het gedwongen vertrek van Tahamata hebben gestaan.

Parttime? Fulltime!

Pijnlijk voor Tahamata, maar die trekt er wellicht lering uit. Veel later, in 2014, aast hij op een baan als hulptrainer bij Ajax. Het zijn roerige tijden, na ‘de zogeheten revolutie’. Wim Jonk, hoofd jeugdopleiding en vertrouweling van Cruijff, biedt hem een parttime contract aan. Tahamata neemt er geen genoegen mee. Achter de rug van Jonk neemt hij contact op met Rolf Grootenboer, boezemvriend van Johan: ‘Rolf heeft Cruijff benaderd, daarna was het in korte tijd geregeld. Ik kon fulltime aan de slag als trainer.’

Zo wordt het spel gespeeld, tussen 2010 en 2015. Deze ene alinea in De kleine dribbelaar vertelt meer over de machtsverhoudingen bij Ajax dan de drie hoofdstukken die Molenaar aan Cruijff (en de revolutie) wijdt. Maar goed, ook dat is geschiedenis, vóór Ten Hag. Die zei in Het Parool over zijn verblijf In Amsterdam: ‘Een dun draadje. Voor je het weet kieper je er vanaf.’ Heeft-ie gelijk in. Molenaar en Jonk werken inmiddels aan de revolutie bij een andere club: in hun thuishaven Volendam, bij de plaatselijke FC.