P.C. Hooftstraat poëziestraat

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad Amsterdam.

Ik ken iemand die altijd als hij de P.C. in slaat een gedicht van P.C. Hooft meent te horen. Meestal ‘Galathea, siet den dach comt aen (Neen mijn lief wilt noch wat marren// t sijn de starren, t is de Maen.)’ maar ook wel eens ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief’ of ‘Klaere, wat heeft ‘er uw hartje verlept’. (…)’.

P.C. Hooftstraat poëziestraat.

Jacqueline van der Waals was negen jaar toen zij van Den Haag naar Amsterdam verhuisde en in de P.C. Hooftstraat 177 kwam te wonen, in het laatste stukje, tegen het Vondelpark aan.

Een jaar eerder, in 1876, wenkte de stad al, zoals blijkt uit een brief die zij aan haar vader schreef: ‘Lieve Pa, Wij hebben al bedacht wat Jantje [haar jongere broertje] met zijn verjaardag krijgen zal, wij dachten als Ma Jantje eens een kruiwagen gaf Jokie [haar jongere zusje] een koek en ik een gietertje. Ik ben nog niet naar Amsterdam gevraagd. (…) Ma heeft mij geleert om op de klok te zien ik kan het nog wel zoo heel goed niet maar toch veel beter dan eerst. (…) Lieve Pa doe de groeten aan allen van u Lina’.

Jacqueline van der Waals was veertien toen haar moeder overleed. Dat was in 1881. De gordijnen van de kamer waar ze stierf zouden tot 1902 gesloten blijven.

Line ging naar de H.B.S. voor meisjes op de Keizersgracht en op het Museumplein tenniste ze met Herman Gorter waar ze ‘ready’ en ‘ball over please’ naar elkaar riepen, maar volgens de overlevering niet over poëzie praatten.

Haar debuut, Verzen, verscheen in 1900. Ze was christelijk en schreef christelijke poëzie.

Maar niet altijd. Het ging ook wel eens over de liefde, en het Vondelpark, zoals in het stralende ‘Jaap’, met ‘Het geitenweitje’ haar bekendste vers: ‘Jaap, Jaap!/ Wie zag ik daar komen/ Onder mijn raam door de eikenlaan?/ Jaap, mijn jongen,/ De vogeltjes zongen/ Hoog in de boomen/ En alle vinken begonnen te slaan…/ Ook in mijn hart ging het zingen aan./ Jaap, Jaap!’

In de zomer van 1921 bleek Jacqueline van der Waals maagkanker te hebben. Op de kamer aan de P.C.Hooft waar ook haar moeder was gestorven, ging ze langzaam dood. Ze weigerde medicijnen, droeg haar lot en beschreef haar sterven in aangrijpende gedichten: ‘Kom nu met uw donker, diep erbarmen,/ eindelijk Dood./ Laat dit pijnlijk lichaam in uw armen/ rusten als het kind op moeders schoot./ Laat mij veilig door de schaduw uwer grote/ vleugelen gedekt/ slapen gaan, het moede oog gesloten/ en het lichaam pijnloos uitgestrekt.’

Jacqueline van der Waals is begraven op de Oosterbegraafplaats.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.