Opinie

    • Frits Abrahams

‘Klinkt niet zo spannend’

Frits Abrahams

Ook al was het laat op de avond, de intercity naar Amsterdam was weer vrijwel vol. Komt het tegenwoordig nog wel voor dat treinen vrijwel léég zijn? Dat je je benen lekker kunt uitstrekken? Ik heb het in geen jaren meegemaakt.

Als leegte dreigt, zo is mijn indruk, wil NS nog weleens een of twee wagonnetjes afkoppelen. „Het spijt ons voor het ongerief”, zegt de conducteur dan ten overvloede via de intercom, „maar we reizen vandaag met een kortere trein.’’ Hij breit er dan misschien nog wat andere overbodige mededelingen aan vast, want sommige conducteurs horen zichzelf erg graag roeptoeteren – het is ook heel wat leuker dan controleren – om te besluiten met een joviaal: „Wij wensen u een goede reis!”

Mooi meegenomen voor de passagiers die zich in de gangpaden en op de balkons krampachtig staande proberen te houden, terwijl ze afgunstig kijken naar de gelukkigen die nog net een (klap)stoel hebben kunnen bemachtigen. Op deze zaterdagavond behoorde ik tot die gelukkigen, evenals drie jonge mensen achter mij: twee mannen en een vrouw tegenover hen. De mannen spraken in het Engels met elkaar, de vrouw hoorde niet bij hen.

Op zeker moment richtte een van de mannen zich in het Nederlands tot de vrouw. Na enige smalltalk vroeg hij: „Wat voor werk doe je eigenlijk?”

„Ik zit op kantoor”, zei de vrouw.

„Kantoor?” Hij moest erom giechelen. „Klinkt niet zo spannend.”

„Dat is het ook niet”, zei de vrouw op neutrale toon. „Het is een administratiekantoor.”

„Tja”, zei de man. Hij bleef een beetje giechelen alsof hij door een onzichtbare hand gekieteld werd.

„En wat doe jij?” vroeg de vrouw.

„Ik ben bijna afgestudeerd in filosofie.” De giechel was op slag verdwenen.

„Zo, daar kun je nog eens wat mee.”

„Ik weet het niet”, zei hij luchtig, „er is niet veel werk in, maar misschien kan ik gaan doceren of iets schrijven.”

Om hun gezichten te kunnen zien, draaide ik me om, maar ik ving alleen een glimp op van een man met een rossig baardje; naast hem zat zijn Engelse metgezel die een koptelefoon had opgezet. De donkerharige vrouw zat met de rug naar me toe.

„Moet er misschien bij jou geschilderd worden?”, vroeg de man opeens.

„Dat kan ik zelf wel.”

„Iets timmeren dan?”

„Heb je geld nodig?”, vroeg de vrouw.

Het antwoord ging verloren, maar ik merkte dat het gesprek kort daarna ophield. De filosoof praatte weer in het Engels met zijn kompaan over verhevener zaken.

Je zou ze nu onafhankelijk van elkaar moeten kunnen interviewen, bedacht ik toen de trein Amsterdam binnenliep. „Jullie korte gesprek riep enkele brandende vragen bij me op, hebben jullie even tijd?” Tegen de vrouw: „Misschien heb ik last van projectie, maar ik zou me kunnen voorstellen dat u zijn toon en woorden nogal neerbuigend vond. Klopt dat?” En tegen de man: „Hoe zou u het vinden als u iemand zou vertellen dat u filosofie studeert en zijn reactie zou zijn: „Tja.”

Misschien zou de vrouw wel antwoorden: „Ach, ik vond het toch een leuke jongen.” En de man: „Ik vond haar zo aardig dat ik wel voor niks bij haar had willen klussen.”

Misschien.