Foto Maartje ter Horst

Ik heb mijn eigen museum

Het begint met één exemplaar – een jukebox, een Minox-camera, een koe – en voordat je het doorhebt, heb je een hele verzameling. Die je dan ook graag aan anderen wil laten zien. Een ode aan de kleine musea.
Een museum beginnen is een sociale handeling. Het is delen. Wat van jezelf was, is nu ook van anderen. Het was al een verzameling, door de jaren heen groter geworden met elke reis, elke verjaardag, elke zoektocht op internet, elke namiddag op een beurs of rommelmarkt. Maar een verzameling is nog geen museum. Daarvoor moet de deur open. Kom langs, vraag ernaar. U bent welkom.

Fotograaf Maartje ter Horst (28) fietste vaak langs het museum van Zuilen, de Utrechtse wijk. Toen ze begin vorig jaar naar binnen ging, dacht ze: dit bestáát dus. Zo kwam ze op het idee voor een boek – een ode aan de kleine musea. Ze zou meer van zulke plekken vinden. Het koeienmuseum in Papekop (Utrecht), het dakpannenmuseum in Alem (Gelderland), het Henny Huismanmuseum in Hoogeveen (Drenthe). Tweeëntwintig, in totaal.

Ter Horst hanteerde strenge criteria. Een vensterbankje met wat spulletjes was niet genoeg, er moest minimaal een hele ruimte aan gewijd zijn. Ze wilde uit elke provincie minimaal één museum in het boek hebben. En er moest één iemand zijn die zich met het museum vereenzelvigt, want het gaat om die mensen. De mensen zijn het museum. Niet de waarde van de spullen doet ertoe, maar de waarde van het samenbrengen. Dat iemand daar zijn of haar levenswerk van gemaakt heeft – want zo is het vaak.

Om de kleine musea te vinden, googlede ze soms op goed geluk. Een jukebox-museum? Gewoon intikken, en warempel, er is er een, in Sint-Oedenrode (Noord-Brabant). Een, kom, verzin eens wat, strijkijzermuseum? Geen resultaat. Andere musea vond ze omdat regionale kranten of omroepen er aandacht aan hadden besteed, of door met Google Maps in te zoomen op kleine dorpjes en binnen de reikwijdte van het scherm op ‘museum’ te zoeken.

Elk bezoek begon met een gesprek om de eigenaar te leren kennen. Daarna fotografeerde ze terwijl hij of zij de collectie liet zien. Zo wilde ze voor elkaar krijgen dat het voor de kijker voelt als een rondleiding. Ging het gelijk al over specifieke voorwerpen, dan kapte ze af. Nee, nu nog niet, ik wil graag dat u straks voor de camera pas voor het eerst laat zien: kijk, dit is het.

Het fotoboek Ode aan de kleinste musea van Nederland (en de mensen die ze mogelijk maken) (Lecturis, 30 euro) van Maartje ter Horst is op 29 maart verschenen.
Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst

MINOX MUSEUM

Bij Henk Hommers (74) thuis hadden ze vroeger een fotohandel, met onder meer de Duitse merken Leica en Minox. Vooral de toestellen van Minox fascineerden hem; . Minox, dat was spionage, dat was James Bond. Je kon ermee „om een hoekje fotograferen”. Vernuftige stukjes techniek. „Dat is toch ongelooflijk, wat mensenhanden kunnen maken, met onderdelen die je nauwelijks kunt zien.” Sinds 1965 gaat al zijn „zakgeld” naar Minox.

De bezoekers komen overal vandaan. Canada, Brazilië, Amerika, Chili, Colombia, Tasmanië. Er was laatst iemand uit Zuid-Afrika die in Schotland op vakantie was en voor zijn museum even naar Het Zeeuwse Zaamslag afreisde.

Hommers koopt al jaren niets meer zonder het eerst met eigen ogen zelf te hebben gezien. Daar reist hij ver hele afstanden voor. Vroeger maakte hij nog weleens een „uitglijder” door iets te bestellen op afstand. „Maar dan werd het bezorgd en dacht ik: er is gevoetbald met dat ding. Het mag gebruikt zijn, daar zijn ze voor, maar het moet er nog wel goed uitzien.”

Het Minox-museum is op afspraak te bezoeken.

Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst

JUKEBOX-MUSEUM

Christ Boelens (81) was vroeger al gek op jukeboxen. De eerste die hij kocht, was „voor de kinderen”: hij had zo’n huisbarretje gebouwd, met ook een tafelvoetbaltafel erbij. De jukebox maakte het hoekje af.

Nu heeft hij er meer dan honderd in zijn museum staan. Van de vier grote Amerikaanse merken – Wurlitzer, Seeburg, Rock-ola en AMI – is hij vooral dol op de Seeburg: die heeft „het mooiste geluid dat geproduceerd wordt”. Sowieso is hij dol op de écht oude jukeboxen, uit de jaren 40, met bakelieten platen. De zogenaamde „78 toeren”. Zijn favoriete nummer om ermee af te spelen: Blueberry Hill van Fats Domino. „Dat liedje heeft echt het gevoel van toen.”

De laatste jukebox die aan het museum is toegevoegd, is een Wurlitzer 800, ook uit die tijd. Die heeft „klasse en stijl”. Kost al snel 15.000 euro. Om zulke aankopen te kunnen doen, restaureert Boelens ook jukeboxen om ze vervolgens te verkopen. Maar dat gebeurt alleen met exemplaren waar hij er meer dan één van heeft, zodat de collectie er niet op achteruitgaat.

Het jukebox-museum is elke zondag open, en opent op andere dagen op afspraak de deuren.

Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst

ORANJEMUSEUM

Het Gronings Oranjemuseum van Albert Wierenga (58, rechts op de foto) en Pieter Winter (64) bevindt zich op de benedenverdieping van hun huis in Groningen. Alles begon met een foto van Prins Bernhard, zegt Wierenga, „En toen ik die van Juliana erbij kreeg, had ik ineens een stel. Dan komt er een kopje, een bordje, een geboortetegeltje en tja, dan heb je een verzameling.” Zijn favoriete stuk: het schilderij van Beatrix met rode hoed.

Het museum heeft drie of vier keer per jaar een open dag en is op afspraak te bezoeken.

Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst
Foto Maartje ter Horst

KOEIENMUSEUM

Waarom de koe? „Ze zijn interessant en heel leuk”, zegt Jannie Verwoerd (65) uit Papekop, provincie Utrecht. „Lieve beesten.” In 2000 kreeg ze een levensgroot beeld van een koe van haar kinderen. Die had bij Hoenkoop op het ijs gestaan„met schaatsen eronder”, als een soort protest tegen de maatregelen toentertijd met de MKZ-crisis. Wat koeienspullen had ze toen al, maar dit was het begin van het museum. Met dat pronkstuk kon het echt wat worden.

Inmiddels heeft ze meer dan tienduizend „attributen”. De laatste toevoeging aan de collectie is een peper- en zoutstel, meegenomen door een „lieve vriendin” die op vakantie gaat „in alle landen” en altijd iets meeneemt. Er zijn koeienspullen uit Vietnam, Oostenrijk, Portugal, Nieuw-Zeeland. Haar man, trouwens, vindt het ook leuk. „Hij staat er helemaal achter. Anders is het ook niet vol te houden.”

Jannies Koeienmuseum is van mei tot september elke dag vanaf half twee open.