Opinie

Dode muis

Marcel van Roosmalen

In het huisje in Frankrijk, waar ik drie dagen met vrienden was, stond een oude Citroën XM waarin lang niet gereden was. Hij zat bij de inboedel, net als de meubels en een tafeltennistafel, zei de vriend van wie het huisje was. Voor we het wisten, zaten we er met z’n vieren in. Op weg naar Saint-Tropez om naar boten te kijken. Of beter gezegd: hij zat heerlijk te sturen, de rest lag er wagenziek naast en achter. Was het die typische geur uit het luchtverversingssysteem? De overdreven vering? Of toch de rijstijl, waarbij bochten en rotondes extra hard werden aangesneden?

Ik waande me weer even in de Mazda 323, waarmee mijn ouders door de jaren tachtig en de eerste helft van de jaren negentig ploegden. Mijn moeder altijd achter het stuur want mijn vader mocht van haar niet rijden, of het moesten de laatste paar honderd meter naar zijn ouderlijk huis in Middelbeers zijn. Het laatste rechte stuk vanaf de winkel van de Boerenbond gaf hij dan altijd een extra dot gas om haar te pesten.

Die verschrikkelijke auto.

Als we verder dan twintig kilometer moesten met de Mazda 323 kregen we van mijn moeder uit voorzorg een tabletje Primatour, want we werden altijd ziek. Op vakanties moest mijn zus kotsen bij Aken.

Altijd bij Aken.

„Had je dat niet even tot Aken kunnen bewaren?”, vroeg mijn vader die keer dat het bij Maastricht al kwam terwijl hij onze benen met een theedoek schoonpoetste.

Mijn moeder: „Daarom moesten jullie dus korte broeken aan.”

Van wat zich op die paar vierkante meter heeft afgespeeld zou je een goede Netflix-serie kunnen maken. Dieptepunt: de keer dat mijn broer me, hij moest altijd in het midden zitten, twee vingers in mijn ogen stak, mijn vader die blind naar achteren mepte en mijn moeder die riep dat ze van alle opwinding achterin de weg niet meer zag maar wel steeds harder ging rijden.

Voor de rest waren we een normaal gezin.

Daar moest ik aan denken toen we zwak, ziek en misselijk uit die Citroën rolden in Saint-Tropez.

We liepen door de haven, dronken een biertje en hoorden van alle kanten dat het anders nooit regende. Op de weg terug stonden we in de file en werden we weer misselijk.

We waren het erover eens dat die geur bij de jaren tachtig hoorde, maar het kon natuurlijk ook gewoon het kadaver van een dode muis of rat zijn.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.