Opinie

De Belgische spagaat van Vlaming en Waal nu nog moeizamer

Verkiezingen

Commentaar

Na de verkiezingen van zondag is de fragiele federale staat België onder nog zwaardere druk gekomen. De Vlaamse kiezer zorgde voor een ruk naar rechts, aldaar aangeduid als rechtsruk, met een zeer stevige winst voor het Vlaams Belang. De middenpartijen werden behoorlijk kleiner – de teleurgestelde Vlaamse kiezer zocht het op de flanken waar het illusies over pensioenleeftijden, kosteloze milieumaatregelen en effectieve uitzettingen regende. De Vlaming, hoe welvarend ook, bleek boos en bang, vreest voor zijn pensioen en verwerpt het migratiebeleid, vatte De Standaard samen.

Wallonië koos daarentegen in meerderheid voor links, met de bekende positie voor de PS, die echter grond afstond aan Ecolo, dat stevig won. Er zijn voor het eerst in lange tijd aan beide zijden van de taalgrens zelfs weer communisten gekozen. „La Fracture”, zette La Libre Belgique voorop. Volgens Le Soir is het nu „Deux Belgique”. Het Belgische probleem, van landelijke onbestuurbaarheid en van elkaar vervreemde inwoners lijkt weer erger. Van ‘living apart together’ lijkt nu toch de weg naar echtscheiding waarschijnlijker.

Bart De Wever, politiek leider van N-VA, de grootste Vlaamse partij, liet weten dat hij ‘nooit’ een federale regering zou toestaan zonder Vlaamse meerderheid. En aan Waalse zijde is het wantrouwen tegen de Vlaamse nationalisten, die men er voor halve fascisten verslijt, na zondag alleen toegenomen. Daar hoopt men nu dat met de overgebleven redelijke Vlaamse middenpartijen het project België nog kan worden voortgezet. De Wevers aankondiging dat de enige oplossing voor België het ‘confederalisme’ is, wordt door de Walen gelezen als een definitieve splitsing van het land. „Wallonië wil naar links, naar uiterst links, ik vind dat ze die kans moeten krijgen” zei De Wever royaal, die dat een uiting van „respect voor de kiezer” vond. In het bijzonder natuurlijk die in Vlaanderen, die zo van hun dure linkse landgenoten afkomen. Van zo’n boedelscheiding zal Wallonië financieel de dupe worden.

De Belgische economie als geheel doet het intussen redelijk goed. Er is een bescheiden groei van 1,3 procent. Het tekort op de begroting weet de demissionaire regering-Michel op zo’n 1,2 procent te houden. De staatsschuld, ooit een hoofdpijndossier, daalt gestaag naar onder de 100 procent van het bruto binnenlands product. De werkloosheid wordt dit jaar, volgens het IMF, 5,9 procent. Maar onder die algemene cijfers gaan enorme regionale verschillen schuil. Vlaamse werknemers zijn veel productiever dan hun Waalse en Brusselse collega’s. De werkloosheid in de Vlaamse regio’s is zo’n beetje de helft van wat in Wallonië en de regio Brussel gebruikelijk is. In geen enkel ander euroland zijn de regionale verschillen in economische prestaties zo enorm als in België. Zelfs niet in Italië, waar de kloof tussen noord en zuid ook groot is.

Telt men daar de uitslag bij op, dan lijkt de puzzel onoplosbaar. België wordt nu bestuurd door een minderheidsregering, die al zo ’n zes maanden op de winkel past. Intussen staat het land voor grote uitdagingen: migratie, klimaat, onderwijs, welvaart. Een impasse kan niemand echt gebruiken. Gelukkig heeft het land óók een reputatie voor onwaarschijnlijke compromissen, ‘à la belge’. En krijgt het politiek establishment na verkiezingen doorgaans ruimte om ‘weer maagd’ te worden. En dus in te slikken wat het eerst voor onverteerbaar verklaarde.

Er is dus ook hoop: voor het Belgische probleem blijken altijd weer Belgische oplossingen te vinden.