De ggz-kliniek waar Thijs H. verbleef moet beelden afstaan

Medisch beroepsgeheim De ggz-kliniek waar Thijs H. verbleef moet beelden afstaan. Dat besluit geeft een slinger aan de discussie over het beroepsgeheim.

DEN HAAG - Politieagenten ondervragen passanten in het gebied waar een 56-jarige vrouw op gewelddadige wijze om het leven is gekomen.
DEN HAAG - Politieagenten ondervragen passanten in het gebied waar een 56-jarige vrouw op gewelddadige wijze om het leven is gekomen. Lex van Lieshout/ANP

Het bloed is al uit de kleren gewassen, getuigen ontbreken. Het zijn vooral camerabeelden die kunnen bijdragen aan het technisch bewijs. Daarop is de staat van de kleding te zien die Thijs H., verdacht van drievoudige moord, droeg toen hij zich na zijn vermeende daden eerder in Den Haag en later op de Brunssummerheide op dinsdag 7 mei om 17.15 uur meldde bij ggz-kliniek Mondriaan in Maastricht. Op de beelden is te zien of hij bloed aan zijn handen had, zoals een dienstdoende psychiater later verklaarde. En welke spullen H. bij zich had. En welke kleding hij droeg toen hij diezelfde avond via een stapel stoelen tegen de muur van de binnentuin de kliniek ontvluchtte en om 23.30 uur weer door zijn ouders werd teruggebracht.

De camerabeelden hebben een opsporingsbelang, de officier van justitie wilde ze daarom graag hebben. En aanvankelijk gaf de kliniek ze ook, op 17 mei, in gesloten enveloppen. Maar nog diezelfde dag kondigde de geneesheer-directeur aan zich te zullen beroepen op het verschoningsrecht: mensen moeten zich vrij en zonder angst tot een hulpverlener kunnen wenden. Het verstrekken van camerabeelden door een zorginstelling aan justitie maakt daar inbreuk op.

Dinsdag bepaalde de rechter-commissaris in een besloten zitting dat in dit geval een beroep op het verschoningsrecht „dient te wijken voor het belang van de waarheidsvinding”. Justitie mag de camerabeelden van de kliniek gebruiken in haar strafzaak.

De onderzoeksrechter gaat volgens experts voorbij aan een cruciaal punt

Want, oordeelde de onderzoeksrechter, „technisch en forensisch onderzoek is van groot belang in de zaak waarbij drie mensen op gewelddadige wijze van het leven zijn beroofd.” Bovendien was via diverse media al bekend dat H. na zijn daden hulp had gezocht bij de kliniek en „dat feit is dus algemeen bekend en behoeft geen bescherming meer”. Ook kon de informatie „niet op een andere, minder ingrijpende manier verkregen worden” omdat verdachte ontkent en medewerkers van de kliniek geen verdere verklaring willen afleggen.

Het vonnis geeft een nieuwe slinger aan de discussie over het medisch beroepsgeheim die dit weekend in de zaak van Thijs H. al was aangezwengeld. Zaterdag maakte het Algemeen Dagblad bekend dat de aanwezigheid van H. ondanks sterke vermoedens over betrokkenheid bij de dubbele moord op 7 mei vanwege het beroepsgeheim niet werd gemeld bij de politie. De kliniek doorbrak het beroepsgeheim pas nadat H. de volgende ochtend – voor de tweede maal – de kliniek wist te ontvluchten door het brandalarm te activeren.

Had de dienstdoende psychiater, die al „geen goed gevoel had” bij het zien van bloed op kleding en handen, direct op 7 mei de politie moeten inschakelen? In de beroepswereld en daarbuiten zijn de meningen daarover verdeeld. Het medisch beroepsgeheim is niet absoluut en in een ‘conflict van plichten’ mag volgens de richtlijn een zwaarder wegend belang, zoals een acuut gevaar voor de samenleving, de geheimhoudingsplicht doorbreken. In de praktijk zijn artsen terughoudend, ze riskeren een tuchtklacht.

Maar in deze laatste kwestie, over het afstaan van camerabeelden, spéélt geen ‘conflict van plichten’, zegt Martin Buijsen, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Erasmus Universiteit. Hij is buitengewoon verbaasd over het oordeel van de rechter-commissaris. „H. is al opgepakt, hij is geen risico meer voor de samenleving. Welk belang dient hier nog, anders dan een opsporingsbelang?”

Er is een groot verschil, zegt hij, tussen een patiënt die zegt een moord te wíllen beramen en een patiënt die de moord al heeft gepleegd. In het eerste geval is doorbreken van het beroepsgeheim een begrijpelijke keuze, in het tweede geval dient het medisch beroepsgeheim altíjd te prevaleren. Hij kent ook geen jurisprudentie die anders uitwijst. Buijsen: „Ook een dader die zich gewond bij een ziekenhuis meldt, moet erop kunnen vertrouwen dat alles wat hij vertelt vertrouwelijk blijft. Anders komt hij niet meer, of wenst hij belangrijke medische informatie niet te delen.”

Lees ook: Thijs H. bezocht ggz Maastricht

In de zaak-H. meende de rechter-commissaris dat het beroepsgeheim „geen bescherming meer behoeft” omdat door alle media-aandacht iedereen al wist dat hij in de kliniek had verbleven. Daarmee gaat de onderzoeksrechter volgens Buijsen voorbij aan een cruciaal punt. „De rechter lijkt het beroepsgeheim te zien als een bijzondere vorm van privacy. Maar het beroepsgeheim drááit helemaal niet om individuele privacy. Het beroepsgeheim kent een veel ouder en meer allesomvattend belang, dat van het recht op onbelemmerde toegang tot zorg. En dat belang is hier in het geding, een maatschappelijk belang.”