Mijten en teken zijn directe verwanten

Biologie Alle soorten mijten en teken stammen af van één gemeenschappelijke voorouder, blijkt uit genetisch onderzoek.

Twee van de in totaal 42.00 soorten mijten. Ze vallen nu met de 12.000 teken- en roofmijtensoorten in één groep.
Twee van de in totaal 42.00 soorten mijten. Ze vallen nu met de 12.000 teken- en roofmijtensoorten in één groep. Foto David Walter

Ze zijn klein, hebben acht poten en ze zuigen bloed: teken en roofmijten hebben veel met elkaar gemeen. Maar hoe nauw ze verwant waren aan ándere mijten was lang onbekend. Britse biologen hebben voor het eerst genetisch aangetoond dat de pakweg 42.000 bekende mijtensoorten (Acariformes) en 12.000 teken- en roofmijtensoorten (Parasitiformes) tot één groep behoren, de Acari, en afstammen van een gemeenschappelijke voorouder. Daarmee vormen ze binnen de spinachtigen een nóg grotere groep dan de spinnen, die tot nu toe met 48.000 soorten als de meest diverse groep werden beschouwd. Dat blijkt uit een artikel in Nature Communications.

„Als dit klopt, dan is het shocking nieuws”, zegt bioloog Wijnand Heitmans, die via de Universiteit Leiden veel onderzoek heeft gedaan aan mijten, en niet bij het huidige onderzoek betrokken was. „De laatste honderd jaar is er veel discussie geweest over of de Parasitiformes en Acariformes nu wel of niet één monofyletische groep – dat wil zeggen een groep met één gezamenlijke voorouder – vormden. Zowel de teken als de echte mijten hebben een ‘miniaturisering’ ondergaan, en de vraag was of die verkleining één of twee keer in de evolutie heeft plaatsgevonden. De laatste jaren zijn er juist veel artikelen verschenen waarin werd beweerd dat die verkleining tweemaal plaatsvond. Dus al die mooie artikelen daarover kunnen nu de bak in …”

Doel van het genetische onderzoek was een grootschalige reconstructie van de evolutionaire geschiedenis van de Chelicerata, een overkoepelende groep binnen de geleedpotigen waartoe naast de spinachtigen (onder andere spinnen, mijten, teken, hooiwagens en schorpioenen) ook de degenkrabben, de zeespinnen en de uitgestorven zeeschorpioenen behoren. Na de insecten vormen de Chelicerata (te herkennen aan hun dolkachtige voorpoten) de grootste groep binnen de geleedpotigen. Ze ontstonden zo’n 524 miljoen jaar geleden in het Cambrium, blijkt uit fossiele vondsten en moleculair onderzoek.

Op basis van de genen van 95 Chelicerata (waaronder 21 soorten teken en mijten) maakten de onderzoekers verschillende stambomen, en bepaalden ze de verwantschap tussen soorten. Zo kwamen ze tot de conclusie dat een verre gemeenschappelijke voorouder van de spinachtigen zich vanuit zee op land vestigde, en dat daaruit vervolgens onder andere spinnen, mijten, teken, op land levende schorpioenen en hooiwagens evolueerden. Eén soort die aan land kroop resulteerde zo uiteindelijk in het ontstaan van meer dan honderdduizend soorten spinachtigen. De degenkrabben en zeespinnen bleven in zee achter. Heitmans: „In eerder onderzoek is ook wel beweerd dat de migratie juist van land naar zee verliep, maar dat spreken de auteurs hier dus tegen.”

De mijten en teken zijn niet de enige achtpotigen die een nauwe onderlinge verwantschap vertonen, schrijven de Britse biologen: zo lijken de hooiwagens een zustergroep te zijn van de kapucijnspinnen (kleine achtpotigen die qua uiterlijk wel wat weg hebben van een kruising tussen een teek en een spin).

Heitmans: „Jammer is dat ze niet alle achtpotigen hebben onderzocht – twee oergroepen hebben ze overgeslagen, omdat daar geen genetisch materiaal van voorhanden was. Met die gegevens zou je misschien weer een heel andere stamboom krijgen.”