Recensie

Recensie Muziek

Dwalend in de wereld van getormenteerde geesten

Recensie Pianist Piotr Anderszewski maakt de hartverscheurende noten van Schumann en Beethoven niet mooier dan ze zijn. En die aanpak geeft zijn spel helende kracht.

Piotr Anderszewski heeft een sterke band met Beethovens Diabellivariaties.
Piotr Anderszewski heeft een sterke band met Beethovens Diabellivariaties. Foto Thomas Manillier/ Thomas Bob Photographie

Sommige pianisten koesteren een levenslange liefde voor één meesterwerk, muziek die ze niet kunnen loslaten, die hun steeds weer iets nieuws vertelt. Beroemdste voorbeeld blijft de innige verstrengeling van Glenn Gould met Bachs Goldbergvariaties. Een soortgelijke band onderhoudt de Pool Piotr Anderszewski met Beethovens Diabellivariaties, een doolhof van vragen, waarin de pianist niet alleen technisch maar ook verhalend zijn weg moet zoeken. Anderszewski dwaalde door dit lijfstuk, niet met de bedoeling een uitgang te vinden - zoals in de meeste labyrinten - maar speurend naar het kloppende hart ervan.

Hij dwaalde ook in de wereld van een andere getormenteerde geest. Met de Sieben Klavierstücke in Fughettenform en Gesänge der Frühe klampte componist Robert Schumann zich vast aan de strenge vormen van Bach in zijn gevecht tegen de opkomende waanzin. Anderszewski liet die ontstaansgeschiedenis meeklinken in zijn vertolking: geen gladgestreken, opgepoetste schoonheid, maar noten die reddingsboeien in een overlevingsstrijd zijn.

Ook bij Beethovens Diabellivariaties gaat het om betekenis. Hier graaft een stokdove componist zo diep in een onbenullig walsje van de muziekuitgever Anton Diabelli, dat hij er een nieuw universum ontdekt. Anderszewski deed geen enkele poging om in het thema en de eerste variaties de aanvankelijke minachting van Beethoven voor Diabelli’s schepping te verbergen. Hoe onbenullig en balorig kwam deze muziek op gang.

Maar zoals Bach zich kon verliezen in de simpelste deuntjes, doemen ook bij Beethoven langzaam nieuwe en ongekende variaties op. Anderszewski gidste zijn gehoor geleidelijk het labyrintische hoofd van de componist binnen: een brein afgesloten van de geluiden van de mensenwereld, waarin fascinatie en verbeelding alle vrijheid kregen. Verstilling en geweld leven naast elkaar bij Beethovens verkenningen van Diabelli’s wals. Rondom Anderszewski hing, zoals altijd, een net van diepe concentratie waarin hij het doodstille publiek gevangen hield. En in het hart van Schumanns en Beethovens doolhoven wachtte uiteindelijk de kwetsbaarheid van het bestaan, maar evenzeer de helende kracht van muziek.