Foto Lars van den Brink

Zes onwaarschijnlijke minuten in het zwart-rood van AC Milan

Harvey Esajas (44) rookte, dronk, woog 120 kilo en had jarenlang geen bal aangeraakt, toen hij met vriend Clarence Seedorf bij voetbalclub AC Milan binnenliep. En toch kreeg hij een kans. „Milan zou me gezond gaan maken, dat was het plan.”

Het is januari 2004 als Harvey Esajas trainingscomplex Milanello van de Italiaanse topclub AC Milan binnenkomt. Hij is 30 jaar, rookt, drinkt en weegt 120 kilo. Milanello, het complex waar veteranen als Paolo Maldini en Alessandro Costacurta topfit worden gehouden.

Esajas komt zijn vriend Clarence Seedorf opzoeken, de twee kennen elkaar sinds 1986 uit de jeugd van Ajax. Maar waar Seedorf Champions Leagues heeft gewonnen met Ajax en Real Madrid, is Esajas gestopt met voetbal. Hij heeft al vier jaar geen bal aangeraakt, de voetbalwereld is hem vergeten. „Op Milanello adem je als sportman voetbal. Er heerst topsport. Ik zei tegen Clarence dat ik ook weer wilde voetballen. Clarence zei: ‘kijk hoe je eruit ziet’. Dus ik zei: ‘ik heb meer kloten dan jullie allemaal’”, vertelt Esajas (44) in een café in Diemen.

En dan, terug in Milanello, komt Carlo Ancelotti langslopen, de trainer van AC Milan. „Clarence zegt tegen hem: ‘zoek je nog een verdediger, deze telt voor twee’. Wij lachen, maar Ancelotti stopt en vraagt serieus naar mijn verhaal.” Tja, zijn verhaal: lastige jongen bij Ajax, weggestuurd om een joint bij Anderlecht, opgepikt door Feyenoord, scoren bij zijn debuut, tegen Ajax nota bene, en daarna via verschillende clubs uiteindelijk afgegleden naar de tweede divisie van Spanje. Achillespees afgescheurd, contract niet verlengd bij de Spaanse club Zamora. Geen club die hem nog wilde.

Daarna drie maanden gewerkt als opbouwer bij een rondreizend circus („hartstikke leuk, ik heb alle Spaanse dorpjes gezien”), een antiekzaak en een discotheek gerund. In 2004 staat hij op het punt om een opleiding tot reisagent te gaan volgen, maar hij is ook depressief. „Toen nodigden ze me uit. Milan zou me gezond gaan maken, dat was het plan.” En zo neemt het verhaal van Esajas een spectaculaire wending.

Via Seedorf komt Esajas binnen bij Milan, de club ziet hem als een uitdaging: als zij van hem weer een voetballer kunnen maken is dat een bevestiging van de kracht van Milanello. „Ik kreeg drie vragen: ‘Geloof je in jezelf? Heb je wilskracht? Kan je volgen?’ Wij doen de rest, zeiden ze.” Er wordt een streng programma voor hem opgesteld. „De eerste drie weken waren heel zwaar. Het was cold turkey, afkicken. Ik ging van het ene uiterste naar het andere. ’s Ochtends vroeg wandelen, havermoutpap als ontbijt.”

Ik hoorde Frank de Boer op de achtergrond zeggen: ‘Wie is Harvey?’

Maar het afvallen wil niet lukken. Uit ergernis slaat Esajas tegen de muur van zijn kamer. Hij moet bij de psycholoog van Milan komen. Esajas wil te graag, is de diagnose. Hij wordt voor een week naar huis gestuurd. „Toen ik terugkwam was ik twee kilo afgevallen. De stress was weg. Vanaf toen begon het, vanaf toen werd ik sterker.”

Esajas raakt in vier maanden tijd 30 kilo kwijt. Tijdens het EK 2004, als de internationals van AC Milan naar Portugal zijn, mag hij trainen met de overgebleven spelers. Ancelotti ziet een goed linkerbeen bij Esajas. „‘We gaan je blij maken’, zeiden ze, ‘we gaan je een contract geven’. Toen was ik wel even stil, ja. Ik was 30 jaar, ik had vier jaar niet gevoetbald.”

Opeens is Harvey Esajas speler van de regerend landskampioen van Italië. Ruud Gullit, Marco van Basten, Patrick Kluivert, Jaap Stam en, ja, blijkbaar past nu ook Harvey Esajas in dat rijtje. „De eerste die ik belde? Clarence. Hij heeft zijn nek voor mij uitgestoken. Toen ik belde, lag hij in Portugal op de massagetafel. Ik weet nog dat ik Frank de Boer op de achtergrond hoorde zeggen: ‘Wie is Harvey?’. Clarence moest dat uitleggen. Daarna ben ik met de psycholoog uit eten gegaan. Ik had vier maanden een strak dieet gevolgd. Hij zegt: ‘Fles voor jou, fles voor mij en alle kreeft en garnalen die ze hier hebben.’ We hebben toen voor 300 euro gegeten om het te vieren.”

Aan het begin van het seizoen blijkt uit alle tests dat Esajas de slechtste speler van de selectie is. Veel van zijn medespelers kijken niet naar hem om. „Maldini [aanvoerder van Milan, red.] sprak niet direct met mij, dat deed hij via Clarence. Wat een pannekoek man, dacht ik. Je bent de capitano, je bent de grootste speler, je moet me als aanvoerder met open armen ontvangen.” Esajas wil die sterren „de bek snoeren”, ze vernederen. Hij focust zich tijdens trainingen op de „ultieme vernedering voor voetballers”, de panna: de bal tussen de benen van de tegenstander spelen. „Elke keer als ik dat deed klakten hun benen tegen elkaar en zei ik ‘ooh, that’s my music’, dan begonnen ze te lachen, ze gingen me Musica noemen. Met vernedering dwong je respect af”, beweert Esajas, „zo oppervlakkig is de voetbalwereld.”

Al die panna’s ten spijt, Esajas speelt geen wedstrijden. Tot 12 januari 2005, de bekerwedstrijd tegen Palermo in Milaan. Esajas mag zes minuten invallen in San Siro. Hij staat op het veld met Alessandro Nesta, met Rui Costa en met zijn vriend Clarence Seedorf. De uitdaging van Milan is geslaagd, Esajas heeft zijn debuut gemaakt en hoort nu echt bij de Rossoneri (rood-zwart, naar de clubkleuren). „Voor mij voelde het alsof ik de hele wereld de mond snoerde.” Op zijn dertigste bereikt hij alsnog het hoogtepunt van een al gedoofde voetbalcarrière.

Een verjaardagstweet met beelden van de wedstrijd die Harvey Esajas speelde voor AC Milan.

„Het is nooit mijn droom geweest om voetballer te worden. Mijn moeder vond dat ik maatschappelijk werker moest worden, omdat ik altijd iedereen wilde helpen.”

Z’n ouders scheidden op zijn zevende. „Mijn vader was met rastafari bezig, moeder was christelijk, dat heeft ze gespleten denk ik. Ik heb er nooit met ze over gepraat, dat doen wij niet in onze cultuur. Ik bleef bij mijn moeder wonen, Surinaamse vrouwen zijn vader en moeder tegelijk. Eens in de twee weken gingen we naar mijn vader die in Amsterdam-Oost woonde.”

Ik heb altijd een haat-liefdeverhouding gehad met voetbal

Esajas vindt de rolmodellen die hij zoekt op straat. „Ik ben met een groep tieners opgegroeid waarvan de meesten het verkeerde pad hebben gekozen. Ze wilden de grootste boeven van de stad worden. Ikzelf haalde kattekwaad uit. Kijk, je hebt jongens die kattekwaad uithalen, en mensen die op hun dertiende weten dat ze Klaas Bruinsma willen worden. Als je in een buurt opgroeit met alleen maar alleenstaande ouders, zijn boeven je voorbeelden. Een overvaller zei ‘hier heb je wat geld, ga lekker naar de snackbar’. Dan is het niet zo belangrijk waar dat geld vandaan komt.” Zelf zat hij op z’n veertiende een uurtje op het politiebureau, vertelt hij. „Ze dachten dat ik iets gestolen had. Ze zochten een Surinaamse jongen met zwarte jas en zwarte schoenen. Je fit the profile. Ook daar groei je mee op.”

Foto Lars van den Brink

Op zijn zeventiende breekt hij los uit het gevaarlijke wereldje, in voetbal ziet hij een uitweg. Bij een ruzie in een discotheek wordt een jeugdvriend doodgeschoten. Esajas speelt op dat moment bij Feyenoord en woont doordeweeks bij zijn oom en tante in Rotterdam, in een weekend dat hij in Amsterdam is hoort hij het. „Toen en daar dacht ik: hier stopt het. Als ik doorga met deze jongens, dan is de kans groot dat ik ook zo word. Die vrienden vonden dat goed, ze vonden dat ik het talent had om eruit te komen.” Toch zakt hij na Feyenoord weer terug, maar dat kwam ook door blessures, zegt Esajas. „Ik heb altijd een haat-liefdeverhouding gehad met voetbal.”

Het avontuur bij AC Milan blijft beperkt tot die zes minuten tegen Palermo. In 2007 keert Esajas terug naar Nederland om jongerenwerker te worden. Hij runt sinds 2017 samen met zijn vrouw Diana Speksnijder I Sport Special, een stichting die jongeren met moeilijkheden op weg helpt door middel van sport. Jongeren met een fysieke of geestelijke handicap, een verslaving en soms jongeren die kattekwaad hebben uitgehaald, zoals Esajas vroeger deed. „Het is voor mij niet moeilijk om tot dat soort jongens door te dringen. Ik ben one of the guys. We willen ze klaarstomen voor de maatschappij, mentaal en fysiek opfrissen. Dat kan met sport.”