CPB: ‘Schokfonds’ in eurozone niet nodig

Toekomst euro Een fonds om economische schokken in lidstaten te dempen heeft ook nadelen, meent het Centraal Planbureau.

Spaanse werknemers staan in 2014 in de rij voor een uitzendbureau. De Spaanse bankencrisis leidde tot een zware recessie en hoge werkloosheid.
Spaanse werknemers staan in 2014 in de rij voor een uitzendbureau. De Spaanse bankencrisis leidde tot een zware recessie en hoge werkloosheid. Foto AFP

Zodra het stof van de verkiezingen is neergedaald, liggen in Brussel lastige dossiers te wachten. Eén daarvan is de toekomstige architectuur van de eurozone. Hoewel de muntunie al flink onder handen is genomen – er kwam een vangnet voor landen in betalingsproblemen, er kwam een bankenunie – blijft in Brussel een ongemakkelijk gevoel bestaan: op economische schokken is het eurogebied niet goed toegerust. Denk aan de bankencrises die Ierland en Spanje zo’n tien jaar geleden raakten en die daar leidden tot zware recessies en hoge werkloosheid.

Het Centraal Planbureau (CPB) stelde maandag in een studie dat de eurozone slecht is in het dempen van schokken in afzonderlijke lidstaten, maar dat er géén speciaal fonds nodig is om die schokken te dempen. Zo’n ‘schokfonds’ kan weliswaar helpen de economische pijn te verzachten, maar er kleven nadelen aan en er zijn genoeg alternatieven, aldus het CPB.

Een schokfonds zou als volgt werken: uit een pot waaraan alle eurolanden in goede tijden bijdragen, kan een land dat een economische klap krijgt geld krijgen om bijvoorbeeld werkloosheidsuitkeringen te betalen. De Franse president Emmanuel Macron ziet de „stabilisatie” bij economische schokken als één van de functies van het ‘budget’ van de eurozone dat hij bepleit. Vorig jaar deed het Internationaal Monetair Fonds voorstellen voor hoe zo’n fonds eruit zou zien: jaarlijks zouden eurolanden 0,35 procent van hun bruto binnenlands product (bbp) in het fonds storten. Als de werkloosheid in een land plots drastisch oploopt, springt het fonds bij, mits het land de begrotingsregels respecteert.

Het CPB geeft toe dat zo’n schokfonds de economische pijn verzacht: „Een verzekering tegen grote onvoorziene schokken kan de welvaart verhogen.” Uitgaande van het IMF-voorstel zou Spanje bijvoorbeeld in 2009-2014 jaarlijks zo’n 4,5 procent van zijn bbp aan steun hebben gekregen. Maar er is ook een probleem, noteert het CPB: ‘moreel gevaar’. Als er uiteindelijk hulp komt uit Brussel, hebben lidstaten minder reden om hun economieën zélf schokbestendig te maken.

VS als voorbeeld

Er zijn goede alternatieven voor een schokfonds, meent het CPB. In de Verenigde Staten, in feite een ‘dollarzone’, wordt 60 procent van de schokken in afzonderlijke staten gedempt, in de eurozone slechts 25 procent. Dat gaat maar voor een klein deel via hulp vanuit Washington, stelt het CPB. De federale overheid is goed voor slechts 10 procent van de demping van schokken, de rest wordt opgevangen door banken die krediet verschaffen en vooral door kapitaal dat zijn weg vindt naar een crisisstaat, bijvoorbeeld van beleggingsfondsen. Banken en beleggers zien de VS als één markt. In de eurozone is dit anders: er is nu weliswaar een bankenunie, maar die blijft zonder Europees depositogarantiestelsel incompleet. En de Europese kapitaalmarkt is zeer gefragmenteerd, door uiteenlopende regels voor bijvoorbeeld pensioenfondsen.

Het Nederlandse kabinet kan de CPB-studie zien als een steuntje in de rug. Samen met andere noordelijke landen wist Nederland tot dusver het thema schokdemping uit de vorming van een eurozonebudget te houden. En het bepleit een Europese kapitaalmarktunie als schokdemper. Maar stof tot nadenken biedt het CPB ook. Want de bankenunie zou bij voltooiing een andere schokdemper zijn, maar Nederland loopt hierin niet bepaald voorop, door het depositogarantiestelsel te traineren.