Recensie

Recensie Muziek

Mahlers Vijfde geldt als nieuw begin, maar klonk nu niet altijd even fris

DeVijfde symfonie van Mahler kende een moeizame start, maar onder chef-dirigent Nicholas Collon wist het Residentieorkest zich te herpakken

Nicholas Collon Foto Freek van den Bergh
Nicholas Collon Foto Freek van den Bergh
    • Joep Stapel

Het Residentieorkest maakte onlangs zijn nieuwe chef-dirigent bekend: vanaf 2021 zal Anja Bihlmaier de leiding over het orkest overnemen. Na Karina Canellakis, die volgend seizoen begint als chef van het Radio Filharmonisch wordt Bihlmaier daarmee de tweede vrouwelijke chef-dirigent van Nederland. Maar dat is pas over ruim twee jaar. Voorlopig staat Nicholas Collon nog op de bok bij het Residentieorkest, waar hij heeft bijgedragen aan een nieuw elan. Dit weekend leidde Collon een programma met Mahlers Vijfde symfonie.

Tekenend voor de manier waarop ze het concertformat in Den Haag proberen op te schudden was de randprogrammering van het zaterdagavondconcert: vijf denkers bogen zich over grote levensvragen, vanuit het idee dat Mahlers muziek zulke vragen oproept. Zondagmiddag werd er niet gepraat, maar soleerde Rosanne Philippens in Mozarts Vierde vioolconcert. Pas echt vitaal was haar toegift, het met veel brille vertolkte slotdeeltje van Enescu’s Airs dans le genre roumain.

Lees ook: Residentie Orkest vol fris elan

De Vijfde geldt als nieuw begin: Mahlers ontmoeting met Alma betekende het startschot van een turbulent huwelijksleven, hij schrapte de zangstemmen uit zijn symfonieën, onder invloed van Bach-studie ging hij complexer contrapunt schrijven. Het orkest wist die dadendrang niet direct te kanaliseren. De hat tip aan Beethovens beroemde noodlotsmotief door de solotrompet klonk wat onbesuisd, en eigenlijk leed het hele eerste deel aan dat euvel. Alle noten stond wel ongeveer op de juiste plek, maar ze klonken niet allemaal even fris, met name in het hout, en vooral schortte het aan een onderhuidse spanning die de bouwstenen van Mahlers treurmars samenbond.

Daarna ging het veel beter. Hoe Collon de orkestklank in het tweede deel opbouwde, van de verstilde celli tot de stralende apotheose, was indrukwekkend. Het beroemde Adagietto bevatte weliswaar ongelijkheden, maar sorteerde een bedwelmend effect. Collon leidde het slotdeel naar een onstuimige finale. Met een reeks mooie soli, zoals de inzet van het Scherzo, speelde de solohoorn een glansrol.