‘Kèsku sè?’ Zo gaat een nieuw soort Franse les eraan toe

Onderzoek naar taalonderwijs Op een gymnasium in Amsterdam legt de leraar Frans zo min mogelijk uit. Maar Nederlands spreekt-ie ook niet.

Taalkundige Audrey Rousse-Malpat: „Ze spreken sneller en vloeiender, en schrijven beter en wat complexer.”
Taalkundige Audrey Rousse-Malpat: „Ze spreken sneller en vloeiender, en schrijven beter en wat complexer.” Foto Kees van de Veen

Het vreemdetaalonderwijs is meestal ‘expliciet’: de grammatica wordt uitgelegd en er wordt veel tijd gestoken in het oefenen van grammaticale regels. Werkwoordsvervoegingen, naamvallen, ontkenningen, etcetera. Maar ‘impliciet’ vreemdetaalonderwijs, waarin de grammatica juist zo min mogelijk of zelfs helemaal niet wordt uitgelegd, geeft betere resultaten. Dat is de conclusie van een promotieonderzoek van taalkundige Audrey Rousse-Malpat (Rijksuniversiteit Groningen).

Rousse-Malpat onderzocht hoe beide benaderingen (het impliciet dan wel expliciet leren van de grammatica) uitpakten bij het schoolvak Frans.

Een van de scholen die aan het onderzoek meededen, is het Cygnus Gymnasium in Amsterdam. Daar werken de leraren Frans al twaalf jaar met een impliciete methode uit Canada: AIM (Accelerative Integrated Method). Het uitgangspunt is niet alleen dat er zo min mogelijk wordt uitgelegd, maar ook dat er zo min mogelijk Nederlands wordt gesproken.

Hoe dat in zijn werk gaat is op een vrijdagmiddag te zien bij Pieter Vredevoort, die les geeft aan een eerste klas. Als je vanuit de gang het lokaal inkijkt, zou je kunnen denken dat de leerlingen les krijgen in gebarentaal. Vredevoort en zijn leerlingen maken bij ieder Frans woord dat ze gebruiken een gebaar. Wat verder opvalt is dat er géén geschreven Frans te zien is. Er wordt alleen maar gesproken en geluisterd. Het gaat erom hoe het klinkt, hoe je het zegt.

Veel luisteren, veel horen. Veel herhaling. Veel interactie. Zo leert een mens een taal

„Oe è lu stielóó?” Waar is de pen? „Lu stielóó è suur laa taabl.” De pen ligt op de tafel. Vredevoort zegt voortdurend: „Laa klas reepèt!” Waarop de hele klas het gezegde herhaalt.

Het is mooi om te zien hoe de leerlingen gedwongen worden om heel actief mee te doen. Ze zitten in een kring, herhalen de zinnen in koor, en daarbij maken ze bij ieder woord het bijbehorende gebaar.

De gebaren waarvan deze methode gebruikmaakt, zijn zo transparant mogelijk. Taabl? De handen doen de vorm van een tafel na. Veu (wil): de handen gaan naar het hart. Sjê (met een nasale e) (hond): de handen hangen als hangende pootjes voor de borst.

Naar de wc

Dankzij deze gebarentaal hoeft de leraar in de les nauwelijks nog Nederlands te spreken. In een traditionele les Frans is 30 tot 60 procent van wat er gezegd wordt in het Frans. In een AIM-les is dat 90 procent.

Er is in zo’n klas natuurlijk altijd één jongen die niet meedoet. Maar die op gegeven moment wel, in vlekkeloos Frans, zegt: „Esku zju peu alee oo twalèt?” Ja, hij mag naar de wc.

Iedere keer als een onderdeel van de les goed verlopen is, zegt de leraar: „Zju swie suupèrkôtâ!” Ik ben heel tevreden!

De les bevat ook een spelletje. De leraar verdwijnt naar de gang, de leerlingen wijzen onderling, in het Frans, iemand aan, de leraar komt terug en probeert door middel van vragen te achterhalen wie ze hebben aangewezen. „Sèt û garsô?” Is het een jongen? „Wie!” (Ja!) Esk iel port û pâtalô nwaar? Draagt hij een zwarte broek? „Nô!”

Lees ook: ‘We willen te perfect Frans spreken’

Als een leerling vlak voor het einde van de les opeens zegt: „Eske zju peu alee dâ laa mèzô?” (Mag ik naar huis?) krijgt hij van de leraar een symbolische beloning in de vorm van een geel kartonnetje. Want ook al klopt die zin niet helemaal, de leerling heeft hem wel op eigen kracht in elkaar geknutseld op basis van woordcombinaties die hij al kende („Esku zju peu alee...” en „dâ laa mèzô”) en dat wordt gewaardeerd.

Vredevoort vertelt na de les dat hij op deze school les is gaan geven, omdat ze hier de AIM-methode waren gaan gebruiken, op initiatief van leraren Frans die ontevreden waren over hoe het tot dan toe liep: na zes jaar traditioneel onderwijs konden de leerlingen het Frans redelijk lezen, maar als ze in Frankrijk kwamen, konden ze maar heel weinig zeggen.

Toepassen van grammatica

De resultaten van de AIM-methode zijn beter. Het Cygnus Gymnasium scoort nu bij de Cito-uitslagen van Frans heel hoog.

Audrey Rousse-Malpat onderzocht wat leerlingen kunnen na drie jaar AIM (impliciet) en na drie jaar traditioneel (expliciet) onderwijs. Voor de omvang van de woordenschat en het correct toepassen van de grammatica vond ze niet heel veel verschil. Wat ze wel vond was dat leerlingen die het Frans geleerd hebben met zo min mogelijk uitleg en zo min mogelijk Nederlands in de les, meer kunnen met hun kennis. „Ze spreken sneller en vloeiender, en schrijven beter en wat complexer: langere teksten, langere zinnen, complexere zinnen, meer bijzinnen, meer constructies die als grammaticaal moeilijk te boek staan.”

Dat je in een taalles de grammatica niet hoeft uit te leggen, sluit aan bij de moderne wetenschappelijke inzichten. Mensen hebben een aangeboren taalvermogen. Hoewel er onder wetenschappers veel onenigheid is over de vraag hoe dat taalvermogen precies werkt, is het wél duidelijk wat de brandstof is die dat taalvermogen aan het werk zet: heel veel input. Veel luisteren, veel horen. Veel herhaling. Veel interactie. De mens, of dat nu een kind is of een leerling, distilleert daaruit vanzelf de grammaticale regels. Dat gebeurt voor het grootste deel onbewust, ergens in ons brein, op een „plek” waar we niet „in” kunnen „kijken”.

Taal leer je, zoals zoveel dingen in het leven, door te doen. „Door woorden in allerlei combinaties te gebruiken”, zegt Rousse-Malpat. „Zeker in het begin heeft het niet veel zin om veel uit te leggen. Je moet vooral bezig zijn. Doen. Gebruiken. De leerlingen moeten daarbij liefst ook fysiek bezig zijn. Vandaar die gebaren. Vandaar ook al die spelletjes die er in de les gedaan worden. Dat materiaal wordt eindeloos herhaald, en er wordt eindeloos op gevarieerd. Er wordt op allerlei manieren mee gespeeld. Het wordt nagespeeld, naverteld. En er worden rapachtige dingen mee gedaan.” In de klas van Pieter Vredevoort klonk op gegeven moment deze rap van Franse voorzetsels: „Suur, soe, dâ! Dùvâ, dèrjèr, dùvâ, dèrjèr!”

Pas als de klank en betekenis van de woorden goed „verankerd” zijn, wordt er gekeken naar hoe je ze schrijft. Dat is bij het Frans even schrikken. „Kèsku sè?” wordt op papier „Qu’est-ce que c’est?” Maar ook daar wordt weer een spel van gemaakt. De leraar legt een heleboel kaartjes met geschreven woorden op tafel. Hij spreekt een woord uit. Welk kaartje zou daarbij horen?