In Monaco is inhalen loeren, wachten, hopen en durven

Formule 1 Monaco staat bekend als het circuit waar inhalen voor coureurs het lastigst is, bleek ook dit jaar. Het toch doen vergt lef, klasse en risico.

Max Verstappen duikt een bocht in, voor Sebastian Vettel, bij de start van de Grand Prix van Monaco.
Max Verstappen duikt een bocht in, voor Sebastian Vettel, bij de start van de Grand Prix van Monaco. Foto Boris HORVAT/AFP)

Het gaat zo vaak over de magie van Monaco. De prachtige beelden van luxejachten in de haven, de zee, de geaccidenteerde straten in het glamourstadje Monte Carlo. De waanzin dat daar met zulke auto’s geracet wordt. Al decennia. Maar de magie zit ook in het feit dat een race daar spannend kan lijken, zonder dat hij dat ook daadwerkelijk is.

Zondag was dat het geval. Natuurlijk ziet het er bloedstollend uit als Max Verstappen in zijn Red Bull het grootste deel van de race binnen een seconde van de Mercedes van Lewis Hamilton rijdt. Met erachter Sebastian Vettel (Ferrari) en Valtteri Bottas (Mercedes) binnen twee seconden. En het verhoogt de spanning als Hamilton op tweederde van de race een vroege dood van zijn banden voorspelt.

Maar dat is wat Monaco Monaco maakt, elk jaar weer: coureurs kunnen nog zo dicht op elkaar zitten, je moet er nog wel langs. En als een coureur doet wat hij moet doen, is dat vrijwel onmogelijk. Zo kon Daniel Ricciardo, toen nog Red Bull, vorig jaar winnen met een motor die nog maar voor de helft werkte. Zo kon Hamilton dit jaar Verstappen achter zich houden ook al waren de zwarte banden inmiddels grijs.

Monaco, zo zeggen coureurs al jaren, is goed kwalificeren op zaterdag en dan consolideren. Tenzij er iets raars gebeurt, is de kans groot dat je – ongeveer – eindigt op de plek waar je startte. ‘Poleposition is winnen’, klinkt het vaak. Ook al klopt dat statistisch niet. Sinds de start van het wereldkampioenschap in 1950 won in de 66 grands prix van Monaco 29 keer de man die op poleposition begon. Maar de cijfers van de laatste jaren zijn al anders: sinds 2004 gebeurde dit maar vier keer niet.

Sebastian Vettel op het stratencircuit van Monaco.

Foto Benoit Tessier/Reuters

Inhalen in de krappe straten van Monaco is een kunst. Het is bluffen, loeren, aanhouden en lef hebben. Of geluk. Vaak is het ook genadeloos hard op je bek gaan.

Er is één plek op het 3,3 kilometer lange circuit waar inhalen traditioneel de meeste kans van slagen heeft en dat is de chicane vlak na de tunnel, de Nouvelle Chicane. Een interessant stukje van het circuit, dat opdoemt als de coureurs op volle snelheid vanuit het donker van de tunnel het zonlicht in rijden en dan scherp naar links en weer scherp naar rechts moeten.

Chicane was veiligheidsmaatregel

Die chicane is overigens ooit aangelegd bij wijze van veiligheidsmaatregel. In de beginjaren van de grand prix was het een veel snellere knik, maar die werd te gevaarlijk bevonden. Nu is het de beste kans voor coureurs om hun positie te verbeteren. Vorig jaar haalde Verstappen – achteraan begonnen – Lance Stroll, Carlos Sainz en Charles Leclerc in op dat punt. Zondag was er slechts één spectaculair moment in de chicane en dat was toen Verstappen een ultieme poging waagde om Hamilton voorbij te schieten, om vervolgens de Mercedes licht te raken.

Een inhaalactie op dat punt– bocht tien/elf – begint eigenlijk al in bocht zes, die bij het hotel, de langzaamste in de Formule 1. Verstappen probeerde daar nog net niet op de achtervleugel te zitten van Hamilton, hem te volgen de bocht erna en zo op slechts kleine achterstand de tunnel in te gaan, de slipstream te pakken en door later dan de Brit te remmen er in de chicane voorbij te gaan. Het beproefde recept daar, maar het is alleen voor coureurs met de durf en klasse weggelegd.

Coureurs weten dat dit het punt is waar ze het meest moeten vrezen voor een aanval van achter. Neutraliseren is daardoor al gemakkelijker, als je geen fout maakt. Dus moet je als coureur in Monaco ook creatiever zijn, en meer risico nemen, zeker als je tot de kanshebbers in het kampioenschap behoort.

Lees ook: Charles Leclerc is een supertalent met de littekens van verlies

Daar was zondag Charles Leclerc (Ferrari) een goed voorbeeld van. Door een timing-fout van zijn team begon hij als vijftiende aan zijn thuisrace. Hij wilde zo snel mogelijk plekken opschuiven en zocht verwoed naar mogelijkheden om in te halen, zelfs al waren die er eigenlijk niet. Hij kreeg het voor elkaar Lando Norris (McLaren) met 45 kilometer per uur te passeren in de langzame bocht bij het hotel. Met die snelheid geen gemakkelijke plek, al gebeurde het in het verleden wel vaker. Adrian Sutil (Lotus) deed het al eens prachtig binnendoor bij Fernando Alonso (Ferrari) in 2013.

Het lukte Leclerc ook in de langzame Rascasse-bocht, vlak voor het einde, door Romain Grosjean (Haas) te verrassen. Dat het een plek is waar je een groot risico neemt met inhalen, bleek toen hij bij de poging daarna om Nico Hülkenberg (Renault) voorbij te gaan de muur raakte. Dat leverde hem een klapband op en maakte zo een vroegtijdig einde aan zijn race.

Risico

Eenzelfde risico geldt ook in de allereerste bocht, Sainte Devote. Verstappen weet het nog goed; hij reed in 2015 in zijn Toro Rosso de muur in bij een poging Romain Grosjean in te halen. Hamilton weet dat het daar wel degelijk mogelijk is; hij haalde daar in 2011 in zijn McLaren Michael Schumacher (Mercedes) in.

Monaco blijft de eeuwige uitzondering op de regel. Het recept voor de race is al jaren hetzelfde, het geklaag over het gebrek aan actie is dat ook. Maar de Formule 1, de coureurs incluis, nemen het inmiddels voor lief. Al opperde Hamilton vorig jaar na de race nog om te kijken of het circuit bijvoorbeeld niet wat langer kon. Maar Monaco is meer dan een race, het is een instituut. Daar wordt niet zomaar aan getornd, dus zullen er nog veel zondagen komen zoals deze. Waarop het bloedstollend oogt, maar eigenlijk nooit is.