Opinie

Europees operetteparlement van weleer is uitgegroeid tot niet te passeren speler

verkiezingen

Commentaar

Met de donderdag begonnen verkiezingen in de 28 lidstaten van de Europese Unie voor een nieuw Europees Parlement komt tevens een eind aan de achtste zittingstermijn van het parlement, dat sinds 1979 om de vijf jaar rechtstreeks wordt verkozen. Daarmee wordt een periode afgesloten dat het Europees Parlement wederom een zwaarder stempel heeft weten te drukken op het besluitvormingsproces in de Europese Unie.

De tijden van weleer met een operetteparlement dat over alles een mening had maar tegelijk niets te zeggen had, zijn echt voorbij. En ook van een feestcommissie op zoek naar een feest – de vergelijking stamt uit de Europa-kritische fase van premier Mark Rutte (VVD) - was de voorbije vijf jaar weinig sprake. De 751 leden van het Europees Parlement hielden zich vooral bezig met hun taak als medewetgever.

In die hoedanigheid behandelden zij bijna duizend voorstellen van de Europese Commissie, die varieerden van het klimaatakkoord van Parijs tot en met regels rondom het copyright op internet. Tot het consument- en kiezersvriendelijke strooigoed behoorde onder andere het afschaffen van de roamingtarieven binnen de Europese Unie.

Het nu vertrekkende parlement heeft in zijn zittingsperiode een aantal belangrijke stappen gezet op weg naar het verder volwassen worden van de Europese democratie. Van de nieuwe bevoegdheden die het Europees Parlement sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in 2009 kreeg is volop gebruikgemaakt. Op een flink aantal terreinen heeft de Europese volksvertegenwoordiging daadwerkelijk het verschil weten te maken. De aanhoudende groei van het aantal lobbyisten dat de weg naar Brussel dan wel Straatsburg weet te vinden is wat dit betreft veelzeggend: als er te beïnvloeden valt, is er blijkbaar ook invloed.

Verfrissend is ook dat het Europees Parlement zich de afgelopen vijf jaar minder heeft gedragen als de applausmachine voor de Europese eenwording. Het parlement is wat dit betreft een betere afspiegeling geworden van wat er onder de bevolkingen van de nationale lidstaten leeft. Nog altijd zijn de christen-democraten en sociaal-democraten de twee dominante politieke stromingen die samen over een meerderheid beschikken, maar de versplintering heeft ook in Europa haar intrede gedaan. Dat er na de laatste verkiezingen van 2014 meer anti-Europese of Europakritische volksvertegenwoordigers in het parlement zijn gekomen, is de breedte van het debat alleen maar ten goede gekomen.

Tot het Europees Parlement als instelling is deze ontwikkeling helaas nog niet doorgedrongen, getuige het voorlichtingsmateriaal dat voor de huidige verkiezingen werd geproduceerd. Hierin wordt gesproken over „mensen die willen kapotmaken wat we samen hebben bereikt”. Het is aan partijen in het Europees Parlement kritiek te leveren op andere partijen maar niet aan het Europees Parlement zelf.

Maar bescheidenheid is een woord dat nog altijd niet in verband kan worden gebracht met het instituut Europees Parlement. De ‘byzantijnse toestanden’ rondom de voorzitter van het parlement en zijn (nationaal-)partijpolitieke hofhouding zijn een haast onuitroeibaar fenomeen. Hetzelfde geldt voor het terugkerende gedoe over de onkostenvergoedingen voor de parlementariërs. Zeker, in het licht van de totale Europese uitgaven gaat het om relatief lage bedragen maar voor het noodzakelijke vertrouwen onder burgers is het ongecontroleerde declaratiecircus funest. Dat hier na alle incidenten nog steeds geen antenne voor blijkt te bestaan is pas echt verontrustend.

Tijdens de afgelopen verkiezingscampagne bleek ook nu weer dat voor veel kiezers de vraag blijft wat die Europese volksvertegenwoordigers nu eigenlijk doen. Net als voorgaande keren leek de campagne zodoende eerder een spoedcursus Europese staatkunde dan een confrontatie tussen politieke opvattingen. Maar een parlement dat niet herkend wordt, dreigt al snel ook niet erkend te worden. De immer lage opkomst bij de Europese verkiezingen is hiervan het trieste bewijs.

Voor de regeringen van de bij de Europese Unie aangesloten lidstaten is het stadium van de geringe erkenning van het Europees Parlement definitief voorbij. Het is bij hen uitgegroeid tot een beslissende actor waar terdege rekening mee moet worden gehouden. Op zijn beurt heeft Europees Parlement de afgelopen vijf jaar geleverd. Over het groeiend aantal zaken waar het Europees Parlement zeggenschap had werden inhoudelijke en volwaardige politieke debatten gevoerd. Dit is het beste wat de Europese democratie kan overkomen.