Opinie

    • Folkert Jensma

Wie een tweede kans wil moet wel inkeer tonen

De Rechtsstaat

Ieder mens verdient een tweede kans. In het opmerkelijke vonnis van de Amsterdamse kort geding-rechter waarin NRC werd verboden de naam van ‘hoogleraar B.’ voluit te noemen, is dat de kernzin. De rechter redeneert dat B. zich in zijn professionele leven misdroeg en dáár dus op de blaren moet zitten. Wat ook al gebeurd was, want hij had ontslag genomen bij de universiteit en het Gerechtshof. Maar zijn privéleven zou beschermd moeten worden door zijn naam niet zó algemeen bekend te maken als de krant van plan was.

Ieder mens verdient een tweede kans, vind ik een mooi ethisch uitgangspunt. Van Aristoteles tot Hannah Arendt, is ‘vergeven’ een centraal leerstuk geweest. Het los mogen laten van het verleden, clementie, genade, verzoening, barmhartigheid, kwijtschelden. In het herstelrecht is het bieden van een tweede kans ook belangrijk. Het slachtoffer staat daar centraal. De dader krijgt de kans de schade te herstellen, wat tot verzoening en een lagere straf kan leiden.

Moet ‘vergeving’ nu ook in de journalistieke ethiek een rol spelen, bij het beschrijven van misstanden? De krant wilde B. wel voluit noemen. De ernst van de kwestie en de rol van de hoofdpersoon vroegen erom: machtsmisbruik, seksueel wangedrag, totaal gebrek aan controle of correctie in de werkomgeving. B. bekleedde als hoogleraar en raadsheer-plaatsvervanger publieke rollen, die gezag en integriteit veronderstellen. De naam verzwijgen zou de zaak bagatelliseren en juist de verdenking van bescherming oproepen, was het argument. Wél schrijven over de escapades van Dominique Strauss Kahn, maar als het een hoogleraar ‘van hier’ is, dan houden we het op ‘B.’? Niet zo sterk – ik zie de verwijten van de lezers al voor me.

Welke gevolgen heeft het vonnis in de zaak-B. voor de pers?

Dat ieder mens inderdaad een tweede kans verdient, vind ik echter ook. Om z’n leven te beteren en het nu wel goed te doen. Maar het kan ook een tweede kans zijn om weer in de fout te gaan. Hebben media niet ook de plicht om toekomstige slachtoffers te voorkomen? Toonde B. inzicht in de laakbaarheid van zijn gedrag? Zijn z’n slachtoffers gecompenseerd, is de schade hersteld? Kwam hij tot inkeer? Is er herstel geweest, genoegdoening? Daar leek het niet op. B. bestrijdt de juistheid van het artikel en relativeert zijn gedrag.

Met de universiteit sloot hij een geheimhoudingsovereenkomst – die heeft hem van internet gewist. Zijn er feiten die het ongehinderd doorstarten van B. verantwoord maken? Ik zie ze niet. De UvA bood haastig aan een ombudsman aan te stellen. Daar heerst verlegenheid. Dat B. bij een nieuwe werkgever in herhaling vervalt is denkbaar. Na de schandalen in de kerk weten we dat zoiets kan. Zeker als er organisaties of maatschappelijke verbanden helpen met stil houden.

Deze rechter is dus ongeclausuleerd voor de tweede kans. Immers, in de professionele kringen van B. kent men hem en ook dat men met hem voorzichtig moet zijn, zegt het vonnis. Dat vind ik het zwakste argument. Hoe weten we dat? En zijn er ook nog andere ‘professionele’ kringen die recht hebben op deze kennis? Verder redeneert de rechter dat een medium dat verdachten van zedenmisdrijven van initialen voorziet, dat ook moet doen bij zulke kwesties in civiele arbeidsrelaties. Dat vind ik het sterkste argument vóór anonimisering. Verder zet de rechter NRC op een voetstuk, waarvoor dank. Wat wij berichten is betrouwbaar en wordt makkelijker geloofd. De lat voor het bewaken van privacy gaat er wel mee omhoog. Daarmee is de vrijheid van kwaliteitsmedia verder ingeperkt dan voor andere. Dat is een pre-internet redenering. Alsof Google deze maatstaf ook hanteert bij zoekresultaten.

Kortom, het vonnis over de Verboden Naam is een studeerkamerproduct. Op digitale media begon meteen de sprint om B. voluit te kunnen noemen. Met een lange neus naar ‘B’ die dacht aan de lange arm van internet te ontkomen en de rechter die hem daarin bijviel. In een vlek moet je niet wrijven en als je geschoren wordt moet je stilzitten, zei de boer. Het trekt precies de verkeerde aandacht.

Kortom, een symbolisch vonnis zonder veel praktische betekenis. In een digitale samenleving waar anonimiteit zéér relatief is. En een scheiding van professionele en particuliere privacy theorie is. Dat is misschien jammer, maar het is ook een feit.

Folkert Jensma is juridisch commentator. Twitter: @folkertjensma

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.