Opinie

Uit de dood verrezen

Frits Abrahams

We zaten gisteravond een beetje afwezig de eerste uitslagen van de verkiezingen op de tv te bekijken, toen plotseling een waarheid als een koe midden in de kamer postvatte en naar ons loeide: „De PvdA heeft gewonnen!”

Het leek eerst niet tot mijn vrouw door te dringen. Ze keek naar juichende partijgenoten op het scherm en ze dacht vermoedelijk dat het verdwaasde discipelen van Thierry Baudet waren, bezig aan hun zoveelste vreugdedans. Elk moment kon hun leider binnenschrijden en aan een nieuwe rede vol boreale perspectieven beginnen.

„Doe maar rustig aan en luister goed”, zei ik zachtjes, alsof ik me ontfermde over een gezinsgenoot die uit een coma ontwaakte.

„Hoe…hoezo?” vroeg ze.

„Nou, het zou kunnen dat de PvdA hier de Europese verkiezingen heeft gewonnen.” Terwijl ik die woorden uitsprak, had ik zelf grote moeite om ze te geloven. Er kon toch niet sprake zijn van een morbide grap uit ultrarechtse kringen? Eerst nepnieuws verspreiden en als de ander vervolgens dolblij reageert, een lange neus trekken en ‘fuck you’ roepen?

Maar toen ik de verbaasde stemmen van de tv-commentatoren hoorde, begreep ik dat er iets bijzonders aan de hand moest zijn. „Ongelofelijke winst PvdA… grootste partij… Timmermans, Timmermans, Timmermans…”

„Hou je vast”, zei ik, nog steeds zo kalm mogelijk, „hou je erg goed vast, eventueel aan mij, en schrik niet als ik zeg: jouw PvdA heeft een historische overwinning behaald.”

„Je klinkt alsof Ajax de Champions League heeft gewonnen”, zei ze.

„Dit is nog ongelofelijker”, zei ik.

Toen viel ze in mijn armen en brak ik bijna mijn rug omdat ik nog op het puntje van mijn stoel naar de tv zat te staren. Ik ga niet opschrijven wat we daarna tegen elkaar hebben gezegd, want ook een columnist heeft recht op zijn privacy, al maken sommige columnisten daar nauwelijks gebruik van. Wel kan ik iedereen verzekeren dat zulke gebeurtenissen reuze vitaliserend kunnen werken in een langlopend huwelijk.

Nadat we weer enigszins bij zinnen waren gekomen, probeerden we de verdere ontwikkelingen te volgen. Het hield maar niet op. De exitpolls rolden over elkaar en de ene was nog gunstiger dan de andere. Opeens kwam Lodewijk Asscher in beeld, te midden van brullende dansers. Hij was zo blij dat hij nauwelijks een woord kon uitbrengen.

Een dode partij was weer tot leven gekomen. Maar hoe nu verder? In de studio sloeg politiek verslaggever Ron Fresen aan het relativeren. „Asscher moet zich niet rijk rekenen, dit is de zege van Timmermans.”

Dat had hij nou niet moeten zeggen waar mijn vrouw bij was. „Belachelijk”, riep ze, „Timmermans was fantastisch, maar Asscher heeft zijn werk ook goed gedaan in deze campagne. De partij had al onder Asscher de opgaande lijn te pakken.”

Ik hield me erbuiten, deze discussie liet ik liever aan de partijleden over. Wel was ik zo ijdel om mijn vrouw er fijntjes aan te herinneren dat ik al jaren geleden schreef dat de PvdA te slordig met haar twee toptalenten – Timmermans en Eberhard van der Laan – was omgegaan. Nu zit de een in ‘Europa’ en de ander, hopelijk, in de hemel.

„Maar er is nu toch weer hoop”, vond mijn vrouw. Ik was zo verstandig om dat niet tegen te spreken.