Natuurliefde zonder weerga

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: verdwenen natuur.

Het circuit van Zandvoort in de duinen ten westen van Haarlem.
Het circuit van Zandvoort in de duinen ten westen van Haarlem. Foto Olivier Middendorp

Aan het eind van de negentiende eeuw ontwikkelde zich in Nederland een natuurliefde zonder weerga. Allerwegen trokken stadse lui de provincie in om er van flora en fauna te genieten, verbaasd gadegeslagen door boeren die de plotselinge belangstelling niet begrepen. De natuurlust heeft zich lang gehandhaafd en is pas in de jaren dertig gaan liggen.

De natuurliefhebbers van het fin-de-siècle kenmerkten zich misschien door een lichte geëxalteerdheid, nog opvallender waren hun leergierigheid en soortenkennis, zeker waar het planten betrof. De eerste jaargangen van het maandblad De Levende Natuur laten dat zien.

DLN was in maart 1896 opgericht door de energieke onderwijzers Heimans, Jaspers en Thijsse, om hun liefde voor en kennis van de natuur over te dragen aan het brede publiek. Aanvankelijk schreven ze zelf hun blad vol, later kwamen er ook bijdragen van gevestigde wetenschappers en van het aangesproken lekenpubliek. Dat werd uitdrukkelijk om hulp gevraagd, vooral door kweekschoolleraar Hendrik Heukels die doende was een geïllustreerde schoolflora voor Nederland op te stellen – net als Heimans en Thijsse trouwens. Het ging vooral om vindplaatsen van zeldzame planten. Beide flora’s verschenen kort na elkaar in 1899 en 1900. Van lieverlee kon DLN rekenen op een vaste kring toeleveraars.

Eerste druk (1900) van Heukels’schoolflora met reuzenpaardenstaart Foto Karel Knip

Afgelopen week bleek opeens dat ook onderwijzer K.M. Knip, hoofd van de lagere school aan de Oranjeboomstraat in Rotterdam, van tijd tot tijd een bijdrage leverde. In het oktobernummer van 1901 beschreef hij de „eigenaardige flora” die hij op een terreintje langs een van de havens had aangetroffen en met de nieuwe schoolflora’s had gedetermineerd. Tussen goederentreinen en vrachtwagens vond hij planten die „zeldzaam” of „zeer zeldzaam” waren. Was Knip duidelijker geweest over de precieze ligging van het terreintje, dan had je nog eens kunnen gaan kijken hoe de vlag er nu bij hing.

Een bijdrage van Knip aan het volgende nummer nodigde wel uit tot een sentimental journey. In november 1901 meldde hij dat-ie de afgelopen zomer de reuzenpaardenstaart in zéér groot aantal had gevonden op de Sint-Jansberg bij Mook. Dat was op zichzelf niet bijzonder, Heukels had al in zijn flora gezegd dat de plant „in Limburg en in de omstreken van Nijmegen” groeide, maar toch: zo véél!

Knips achterkleinzoon overwoog een bezoek aan de berg. Per slot gaat het hier om een Natura 2000-terrein en stopt er een stoptrein. Maar Google Maps heeft hem van de onderneming afgehouden. Het reservaat blijkt maar een paar voetbalvelden groot en het deelt de ruimte binnen 2 of 3 km2 met drie campings, een jachthaven, een bungalowpark, een parkeerterrein, een midgetgolf en een reeks pannekoekhuizen en ijssalons. De colonnes natuurvrienden trekken er noodgedwongen in ganzenpas doorheen.

De Rotterdamse onderwijzer K.M. Knip

Eén ding is zeker: er staat nog een pol reuzenpaardenstaart. Google wijst hem aan en er zijn verse twitterfoto’s beschikbaar. En de paardenstaart zal nooit verloren gaan, want voor zijn behoud en dat van een plant als goudveil werd een gedetailleerd beheerplan met diep ingrijpende aanpassingen van de waterhuishouding opgesteld. Er worden toplagen verwijderd, bomen gekapt en kwelschermen geplaatst. Je kunt er op honen maar het is de geest die telt.

Kijk voor de aardigheid ook eens naar de dappere pogingen om het zinkviooltje en de rest van de Nederlandse zinkvegetatie langs de oevers van de Limburgse Geul overeind te helpen. De zinkflora dankt zijn bestaan aan eeuwenlange zinkmijnbouw in de Belgische gemeente Plombières die het water van de Geul en zijn oevers sterk vervuilde. Aan de mijnbouw kwam een eind, de Geul werd schoner en in de Geuloevers zakte het zink naar de diepte – buiten bereik van de planten. Weg was de zinkflora. Het is – goed beschouwd – een uitzichtloze zaak, maar toch is besloten één stukje Geuloever van zijn toplaag te ontdoen en in te zaaien met zaad van gezonde zinkflora uit België.

Jaargang 1901 van DLN bevat ook een necrologie van F.W. (‘Frits’) van Eeden, vader van Frederik en pionier van het natuurbeschermingsbeleid. Frits begon zijn carrière als Haarlemse plantenkweker en eindigde als gerespecteerd amateurbotanicus. Hij heeft het begrip ‘natuurmonument’ inhoud gegeven. In 2018 beschreef Marga Coesèl zijn leven in een mooi boekje van KNNV Uitgeverij.

Knabbelende boeren

Meer mensen zouden moeten weten hoezeer Frits van Eeden gesteld was op het prachtige duingebied ten westen van Haarlem, en hoe hij die liefde wist over te dragen op zijn zoon Frederik. Diens ‘sprookje’ De kleine Johannes (1884) speelt tegen de achtergrond van de Haarlemse duinen. Rond 1884 begonnen die direct voorbij Overveen, maar er werd al aan geknabbeld door boeren die er aardappelveldjes aanlegden en vee lieten grazen. Hoe het is afgelopen laat Google Maps zien: de Haarlemse duinen hebben plaats gemaakt voor een woonwijkje, een camping, hockeyvelden, twee enorme golfterreinen en natuurlijk dat stompzinnige racecircuit waar Max Verstappen binnenkort wéér niet zal winnen. Het begin ervan werd in ’40-’45 aangelegd door de Duitsers.

De beheerders van de duinen ten noorden en zuiden van Zandvoort verzetten – letterlijk – bergen om de natuurwaarde van hun terreinen te verbeteren, zie Google Maps, Zandvoort helpt zijn laatste stukje duingebied met het Formule 1-circus handenwrijvend om zeep. Schrijnender kan het niet. Het circuit had allang weg moeten zijn.