Met big data kun je in een oorlog de vijand verslaan

Sociale wetenschap Dankzij een ‘softe aanpak’ zijn moderne oorlogen te winnen, zo leert een grondige data-analyse van de strijd in Irak en Afghanistan.

Nederlandse militairen op patrouille boven Uruzgan, Afghanistan, in 2008. Nederland wilde de hearts and minds van de bevolking veroveren om succes te boeken.
Nederlandse militairen op patrouille boven Uruzgan, Afghanistan, in 2008. Nederland wilde de hearts and minds van de bevolking veroveren om succes te boeken. Foto Rick Nederstigt/ANP, bewerking NRC

In de zomer van 2010 hield een jonge econome een lezing op het hoofdkwartier van de geallieerde troepen in Afghanistan (ISAF). Tientallen ervaren militairen in uniform keken in het zaaltje in Kabul aanvankelijk een beetje sceptisch naar de slides met grafieken met cijfers van gedode burgers en aanslagen op ISAF-militairen. Ze wisten uit de praktijk heus wel dat het – per ongeluk – doden van burgers ertoe leidde dat ze minder informatie van de bevolking kregen over ingegraven bermbommen en geplande aanslagen. En dat hun werk zo gevaarlijker werd.

Maar de grafieken van de econome, gebaseerd op lange datareeksen over incidenten uit oorlog, lieten zien dat het verband veel sterker was dan ze dachten. Burgerdoden leidden altíjd tot meer aanvallen op ISAF, tot veertien weken na elk incident. De Amerikaanse generaal Stanley McChrystal, commandant van ISAF, besloot daarom tot een nieuwe aanpak, die hij „courageous restraint” doopte: moedige terughoudendheid.

Onschuldige demonstranten

In de praktijk betekende dit bijvoorbeeld dat een groepje mariniers dat werd bekogeld met stenen, niet schoot op hun belagers omdat die omringd waren door onschuldige demonstranten.

Deze ‘softe’ aanpak werd bekritiseerd, maar McChrystal hield eraan vast: „We moeten de val vermijden van het behalen van tactische overwinningen – en het lijden van strategische nederlagen – door het veroorzaken van burgerslachtoffers of excessieve schade en zo de bevolking van ons te vervreemden.” En McChrystal kreeg gelijk: het aantal aanslagen op ISAF nam af.

De zelfbeheersing van ISAF laat zien dat de informatierevolutie de hedendaagse oorlogsvoering verandert. Regeringen en militairen gaan ervan uit dat dit alleen maar meer wordt, ook in Nederland. Zo trekt het kabinet in de Voorjaarsnota, die binnenkort naar buiten komt, extra geld uit voor het ‘cyberdomein’. En onlangs belegden officieren van de landmacht een bijeenkomst over hoe zij informatie als wapen kunnen inzetten.

Alle gps-locaties

Wat de informatierevolutie nu al doet met de oorlogsvoering, is te lezen in het vorig jaar verschenen boek Small Wars, Big Data, waaraan bovenstaand voorbeeld is ontleend. Hierin onderzoeken drie economen de oorlogen in Irak en Afghanistan, met uitstapjes naar onder meer Afrikaanse landen en de Filippijnen. Ze analyseren grote militaire databestanden zoals de SIGACT-III databank, waarin bijna 200.000 acties van de coalitietroepen in Irak zitten, en de databank met alle gps-locaties van militaire voertuigen in Afghanistan. Deze data hebben de wetenschappers verkregen na jarenlange onderhandelingen met het Pentagon, dat ze ‘opgeschoond’ (al is onduidelijk hoe precies) vrijgaf.

De economen combineren deze gegevens met tal van data over onder meer aanslagen, (burger)doden, gsm-gebruik en ontwikkelingshulp. Vervolgens analyseren ze welke militaire en civiele acties effectief zijn. Bij elke interventie – zoals de bouw van een waterbedrijf of een gsm-netwerk – kijken ze of het geweld toe- of afneemt. Dat doen ze per regio of aantal regio’s, vergelijken die met regio’s zonder interventie en corrigeren voor andere mogelijke invloeden, zoals de aanwezigheid van een kruispunt; bij zo’n strategisch punt is vaker geweld in een oorlogsgebied.

Deze bigdata-aanpak levert een baaierd aan interessante inzichten en fraaie observaties op. Zo gooiden vliegtuigen in 2016 boven het belegerde Mosul in Noord-Irak folders uit met het nummer van een tiplijn plus speciale kortingen van een Koerdisch telecombedrijf: vijf uur bellen voor 50 dollarcent. Bewoners belden vervolgens massaal informatie door over de positie van de IS-bezetter. Dat hielp de Koerden enorm bij het veroveren van de stad.

Nu is informatie altijd belangrijk geweest in de oorlog; niet voor niets wordt spioneren wel het op een na oudste beroep genoemd. Maar het belang van informatie is wel explosief toegenomen in de 21ste eeuw en dat heeft twee oorzaken. Om te beginnen wordt de klassieke, ‘symmetrische’, oorlog waarbij twee min of meer gelijkwaardige partijen elkaar bevechten, steeds meer verdrongen door zogeheten asymmetrische oorlogen. In dat type oorlog is de ene partij militair veel sterker dan de andere – denk aan ISAF en de Taliban in Afghanistan.

Schuilplaatsen van rebellen

Draait de klassieke (front)oorlog om de beheersing van grondgebied, de moderne oorlog draait om informatie – over bijvoorbeeld de locatie van bermbommen en de schuilplaatsen van de rebellen. „In de klassieke oorlog heb je er niet zoveel aan om precies te weten waar de commandant van de vijand zit, als die zich ver achter het front schuilhoudt in een bunker”, schrijven de auteurs. In de moderne oorlog kan het vinden van zo’n commandant juist het doel van een militaire operatie zijn. Dat leert de liquidatie van Al-Qaeda-leider Osama bin Laden; hem spoorden de Amerikanen op door uit de oceaan van belgegevens van zijn vertrouwelingen uiteindelijk de gsm van de koerier te destilleren – en die te linken aan zijn verstopplek in Pakistan.

Het belang van informatie is in de tweede plaats gegroeid door technologische vooruitgang. Satellietbeelden worden bijvoorbeeld al lang gebruikt, maar met behulp van krachtiger computers en vernuftiger software kunnen die nu slimmer worden benut. Zo toonden satellietbeelden dat markten in een deel van Afghanistan ineens drukker werden bezocht na een – succesvolle – militaire actie om de toegangswegen veiliger te maken.

Driehoeksrelatie

De voorbeelden laten zien dat de informatierevolutie een veelkoppig monster is. Een monster, omdat er zo ontzettend veel gegevens zijn. Veelkoppig omdat informatie zoveel verschillende rollen vervult: én brandstof voor actie (Bin Laden), én toetssteen voor succes (markten) én bouwsteen van strategie (courageous restraint) én talloze andere rollen. De auteurs van Small Wars, Big Data weten dit monster gelukkig te temmen met een helder model uit de speltheorie.

Deze economische theorie houdt zich bezig met het (voorspellen van) het gedrag van partijen in – veelal – een driehoeksrelatie, waarbij geen enkele ‘speler’ weet wat de ander precies doet maar daar wel rekening mee moet houden. Een alledaags voorbeeld daarvan is een bieding op een huis met gesloten enveloppen: hoeveel moet je bieden om het huis te krijgen en niet te veel te betalen?

Foto Rick Nederstigt/ANP

Het bekendste voorbeeld is het prisoner’s dilemma, waarbij twee gevangenen afzonderlijk van elkaar kiezen of ze meewerken aan het verhoor door de politie (de derde partij), die hen heeft betrapt op wapenbezit en verdenkt van moord. Lapt de gevangene zijn medegevangene erbij en houdt die zijn mond, dan komt hij weg met een korte celstraf voor verboden wapenbezit. Zwijgt hij en praat zijn medeplichtige, dan krijgt hij de maximale celstraf. Verklikken beiden elkaar, dan krijgen ze allebei een lange celstraf, maar niet de maximale. Wat te doen?

In de asymmetrische oorlog, betogen de auteurs, heb je ook een driehoeksrelatie, die beslissend is voor het verloop van de strijd. De driehoek wordt gevormd door de dominante partij (regeringsleger of interventiemacht), de zwakkere partij (rebellen) en de bevolking. Een inwoner kan de dominante partij informatie geven, bijvoorbeeld door een tiplijn te bellen over komende aanslagen; of juist nalaten dat te doen en op die manier de rebellen helpen. Zo betekenden in Afghanistan elke twee tips gemiddeld één aanslag met een bermbom minder. Burgers hebben dus de sleutel tot informatie in handen en vormen daardoor in de moderne oorlog het ‘doelwit’ van de strijdende partijen.

Gangs in Amerika

Maar net als de gevangene en de huizenkoper zit een inwoner, die bijvoorbeeld gezien heeft dat een bom wordt ingegraven, voortdurend afwegingen te maken voordat hij de telefoon pakt. Wat als de bommenmakers na mijn tip gepakt worden, krijg ik dan de rebellen achter me aan? En als ik de tip niet doorgeef en de bom gaat af, wat gaan de regeringstroepen dan doen in mijn dorp? Enzovoorts.

Beide partijen willen de balans naar hun kant laten doorslaan en moeten daarbij rekening houden met belangen en waarden van de lokale bevolking. De dominante partij kan daarbij flink mistasten, zoals het maken van burgerslachtoffers. De tiplijnen blijven ook stil als daders straffen krijgen die burgers als onredelijk zwaar zien. De Amerikaanse econome Janet Yellen, bekend geworden als centrale bankier onder president Obama, liet eerder al zien dat bewoners van slechte wijken in de VS alleen bereid zijn om de politie te tippen over gangs, als er geen lange celstraffen staan op lichte vergrijpen, zoals drugsbezit (Values and public policy, 1994). Meedogenloos optreden tegen niet al te gewelddadige rebellengroepen is om dezelfde reden contraproductief.

Aanslagen op Bali

Rebellengroepen wakkeren de tipbereidheid juist aan door de belangen en waarden van een bevolking ernstig te schenden. Dat de burgers in Mosul in 2016 massaal de tiplijn belden ondanks de draconische straffen daarop, kwam vooral doordat IS hun leven tot een hel had gemaakt. Na de jihadistische aanslagen op Bali in 2002 op voornamelijk Australische toeristen, kwam er een stroom (bruikbare) tips uit de lokale moslimgemeenschap, die diep geschokt was.

Andersom groeit de tipbereidheid bij burgers ook als overheid of rebellengroepen waardevolle diensten leveren, zoals water of scholing. Zo leidde elke extra 10 dollar ontwikkelingshulp per hoofd van de bevolking gemiddeld tot 25 procent minder geweldsincidenten in Irak.

Dat geld moet wel slim worden besteed, leren ervaringen in Irak. Na een waterproject in Erbil nam het geweld af, terwijl een waterproject in Fallujah het geweld juist aanwakkerde. Het succes in het Koerdische Erbil was te danken aan een sterke lokale overheid en aan de beperkte omvang van het project.

Grote en dure projecten zoals in Fallujah lokken juist rebellengroepen; die willen een punt van de taart in de vorm van ‘beschermgeld’ of een bouwcontract. Grote projecten – gemiddeld 678.000 dollar – leiden zo tot meer geweld in een regio. Kleine projecten, en de bovengrens is 50.000 dollar, leiden tot meer tips en daardoor tot minder geweld. De ‘moedige terughoudendheid’ is dus niet alleen nodig bij het gebruik van de wapens, maar ook bij het trekken van de portemonnee.