Klimaateis Urgenda gaat voorbij ‘aan zorgvuldige democratische besluitvorming’, zegt landsadvocaat

Cassatieprocedure De worsteling van de regering met de Urgenda-zaak klonk vrijdag in de cassatiezaak bij de Hoge Raad duidelijk door. In het verweer van de landsadvocaat stond centraal dat de staat geen mensenrechten schendt, zoals het gerechtshof eerder oordeelde, als niet nú ingegrepen wordt voor het klimaat.

Marjan Minnesma directeur van Urgenda voorafgaand aan het pleidooi van de cassatieprocedure in de Klimaatzaak bij de Hoge Raad.
Marjan Minnesma directeur van Urgenda voorafgaand aan het pleidooi van de cassatieprocedure in de Klimaatzaak bij de Hoge Raad. Koen van Weel

De cassatie die de Nederlandse staat aantekende tegen het Urgenda-arrest was „een principiële kwestie”, had de regering eerder aangekondigd. Het bevel van de rechter om de CO2-uitstoot in 2020 met minstens 25 procent te hebben verminderd – iets wat nu haast onmogelijk lijkt – blijft „onverminderd van kracht”.

Maar tijdens de zitting in de cassatiezaak, vrijdagochtend bij de Hoge Raad in Den Haag, klonk de worsteling van de regering met deze zaak luid en duidelijk door in de rechtszaal. Als het kabinet het vonnis uitvoert, zei advocaat Karlijn Teuben namens de Nederlandse staat, moeten bijvoorbeeld de kolencentrales dicht. „Ten eerste is er dan nieuwe wetgeving nodig, en ten tweede kost het disproportioneel veel geld als we dat nu doen.” Als Urgenda dit wil, vervolgde Teuben, „moet ze de politiek in gaan, en niet proberen dit via de rechtszaal af te dwingen.”

In oktober oordeelde het gerechtshof, net als de Haagse rechtbank in 2015 al in eerste aanleg deed, dat de Nederlandse staat meer moet doen om zijn burgers te beschermen tegen de „ernstige” en „reële” gevolgen van klimaatverandering. Het hof noemde onder meer droogte, hittestress en ernstige overstromingen, en kwam toen tot de kern van het arrest: de mensenrechten zijn in het geding. Er bestaat een „ernstig risico”, oordeelde het hof, voor „verlies van leven en/of verstoring van het gezinsleven” van alle Nederlanders.

De uitspraak kwam als een verrassing voor veel juristen. Nooit eerder ter wereld beval een rechter een regering meer te doen tegen klimaatverandering.

Lees ook: Hoe ‘Urgenda’ een levensgroot probleem werd

Een maand na de uitspraak kondigde de regering aan dat ze cassatie aantekende tegen de uitspraak van het hof. Niet, zei de regering, omdat ze het gevaar van klimaatverandering betwist, maar omdat de uitspraak zijn „beleidsvrijheid” te zeer beperkt, voor het klimaatbeleid en ook op andere terreinen waar internationale samenwerking grote invloed heeft. „Klimaatverandering moet serieus worden aangepakt”, zei Teuben, maar de ingreep van het hof „heeft veeleer een averechts effect.”

Rechtenstudenten

Meer dan tweehonderd belangstellenden waren op de zaak afgekomen – al even na achten stond er vrijdagochtend een lange rij voor het glanzende gebouw van de Hoge Raad. Er waren bezorgde burgers met linnen tasjes, geïnteresseerde ambtenaren. En rechtenstudenten, aangemoedigd door hun docenten om de historische zaak bij te wonen.

Ook internationaal is de aandacht groot, bleek vrijdagochtend nog eens tijdens het pleidooi van Urgenda. Advocaat Koos van den Berg vermeldde dat de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties, Michelle Bachelet, de zaak „van cruciaal belang” noemde. Ze heeft geprobeerd om haar visie in de zaak te mogen geven, zei Van den Berg. De Hoge Raad wees dat af omdat dat volgens de Nederlandse wet in een cassatieprocedure niet kan.

Door de Urgenda-uitspraak werd de Nederlandse staat verplicht om de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met minstens 25 procent te reduceren ten opzichte van 1990. Want, zo oordeelde het hof, er is wetenschappelijke consensus dat dat het minimale is wat van een welvarend, westers land verwacht mag worden. Daaruit volgt een zorgplicht voor de Nederlandse staat.

Die redenering vocht de staat aan, net als in het hoger beroep. De staat vindt dat de rechter te veel op de stoel van de politiek is gaan zitten. De Urgenda-uitspraak „dwingt” de hele samenleving om mee te gaan in een snelle vermindering van broeikasgassen, en dat gaat voorbij aan „zorgvuldige democratische besluitvoering.”

Maar centraal in het verweer van de landsadvocaat stond vooral dat de staat vindt dat hij geen mensenrechten schendt als er niet nú ingegrepen wordt. Het hof verwees in zijn arrest onder meer naar het wetenschappelijke VN-klimaatpanel IPCC, dat in 2007 schreef dat welvarende, westerse landen de broeikasuitstoot met 25 à 40 procent moeten beperken in 2020.

Maar het klimaat kan nog steeds gered kan worden als we het minimum van 25 procent minder broeikasgas in 2020 niet halen, betoogde advocaat Teuben. „Zij het dat de opties dan beperkter worden.”

0,000045 graden

En omgekeerd, zei ze, als de regering wél aan het arrest voldoet, worden burgers – en dus hun mensenrechten – toch „niet meetbaar” beter beschermd. Daarna volgde het moeilijkst uit te spreken getal van de ochtend. Ingrijpen vanwege Urgenda, betoogde de landsadvocaat, leidt ertoe dat de temperatuur op aarde „0,000045 graden minder” toeneemt.

De advocaten die namens Urgenda spraken hadden aan die rekenarij geen boodschap. In hun betoog benadrukten ze vooral het imminente gevaar van klimaatverandering en ze wezen op de unieke verantwoordelijkheid van de staat. „Alleen staten kunnen de randvoorwaarden creëren voor de snelle reductie van broeikasgassen”.

In oktober nog schetste het wetenschappelijke VN-klimaatpanel IPCC dat zelfs een beperkte opwarming binnen decennia ernstige gevolgen heeft: meer hitte, heftigere regen, dode koralen. De ijskappen op Groenland en Antarctica kunnen smelten, met een zeespiegelstijging van meters tot gevolg. Juist Nederland, dat grotendeels onder de zeespiegel ligt én per hoofd van de bevolking veel CO2 uitstoot, heeft de plicht om in te grijpen, zei Van den Berg. Alle landen moeten meedoen, „en daarvoor is noodzakelijk dat je zelf het goede voorbeeld geeft.”