Opinie

Jokowi zal nu vooral burgerrechten moeten waarborgen

Indonesië

Commentaar

Deze week was het 21 jaar geleden dat de autocratische president Soeharto van Indonesië ten val kwam. En het zakencentrum van Jakarta was wederom het decor van grootscheepse onrust. Aanleiding was de definitieve uitslag van de presidentsverkiezingen. Zittend president Joko Widodo (doorgaans aangeduid als Jokowi) had met een overtuigende meerderheid gewonnen. Maar zijn uitdager ex-generaal Prabowo Subianto legde zich er niet bij neer – net als de vorige keer dat hij verloor, vijf jaar geleden. Hij had gedreigd met geweld in de straten en er wás geweld in de straten. De taferelen van de ongeregeldheden, inclusief dodelijke slachtoffers en branden, deden herinneren aan de onrust die in 1998 een einde maakte aan de dwingelandij van Soeharto, overigens op dat moment de schoonvader van Prabowo. Twintig jaar geleden was het ook Prabowo, toen nog actief generaal, die verdacht werd van het aanstichten van de instabiliteit, met als doel zelf de macht over te nemen. En ook toen stond hij tegenover inmiddels oud-legerleider Wiranto, die nu coördinerend minister is van Veiligheid.

Maar de gelijkenis is slechts een oppervlakkige. Indonesië heeft in de afgelopen twee decennia wel degelijk stappen gezet op weg naar versterking van de democratie. De zogeheten ‘era reformasi’ heeft niet de hemel op aarde gebracht. Maar veel Indonesiërs zijn nu beter af dan destijds. Voor een deel ook door toedoen van Jokowi die, vooral op Java, de economische groei heeft gestimuleerd.

Indonesië geldt internationaal als het bewijs dat democratie en islam wel degelijk te combineren vallen. Daarom liggen de ontwikkelingen daar ook onder het vergrootglas. Immers, Prabowo had zich dit keer gesteld aan het hoofd van een coalitie van, soms, extreem fundamentalistische moslimpartijen. En hij is, met 44 procent van de stemmen, vér gekomen.

Jokowi ging onder die druk een coalitie aan met een van de leidende schriftgeleerden van het land: Ma’aruf Amin, voorzitter van zowel de Raad van Schriftgeleerden als Nahdlatul Ulama, de grootste en relatief gematigde moslimorganisatie. Maar in tegenstelling tot zijn progressieve roemruchte voorganger Abdurrahman Wahid, die na Soeharto zelfs nog korte tijd president was, is Amin een conservatief. Hij staat bekend om zijn afwijzing van homoseksualiteit, zijn inperking van rechten en vrijheden van andere religies en zijn actieve betrokkenheid bij een smerige campagne tegen de herverkiezing van de christelijke, etnisch Chinese, gouverneur van Jakarta, Basuki Tjahaja Pudama, ofwel Ahok.

Jokowi ziet zijn handelingsruimte aan het begin van zijn tweede termijn dus aan twee kanten ingeperkt. De steun van ex-generaal Wiranto heeft een prijs. In de praktijk zijn er signalen dat de krijgsmacht probeert het verloren terrein terug te winnen: er is bijvoorbeeld een streven militairen weer een (profijtelijke) rol te geven in het bestuur. En protest tegen de herinvoering van die dubbelrol (dwifungsi) wordt aangepakt. Tegelijkertijd moet gevreesd worden dat de nieuwe vice-president Ma’aruf Amin geen groot voorvechter zal zijn van de befaamde (later beruchte) ‘Pancasila’: de staatsleer van Indonesiës eerste president Soekarno, die onder meer een zekere religieuze vrijheid garandeert.

Een instabiel Indonesië dat een conservatief-islamitische weg inslaat, is funest voor andersdenkenden onder de eigen bevolking. En voor de regio maar ook geopolitiek gezien ongewenst. Jokowi verdient daarom alle internationale steun om dat te voorkomen.