Recensie

Recensie

Industrieel Van Marken was pionier, verslaafde én idealist

Biografie Ondernemer Jacques van Marken gold als sociaal pionier, maar had ook een turbulent privéleven. Genoeg voer dus voor een boeiende biografie over zijn leven.

Beeld uit besproken boek: de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek van Van Marken in Delft.
Beeld uit besproken boek: de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek van Van Marken in Delft. Beeld Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Een maniakale scheppingsdrift, een bij vlagen verstikkend paternalisme, een buitenechtelijk gezin en een hardnekkige morfineverslaving. Een schrijver kan zich geen betere ingrediënten wensen voor een spannende biografie. Als de stichter van de onderneming aan het eind van zijn leven dan ook nog eens door zijn zelfgekozen opvolger de wacht wordt aangezegd, is het drama compleet.

Biograaf Jan van der Mast deed diepgravend archiefonderzoek en schreef een boeiend boek over het leven van industrieel Jacques van Marken (1845-1906), de getalenteerde Amsterdamse domineeszoon die aan de basis stond van een aantal belangrijke Nederlandse ondernemingen: de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek (later Gist-Brocades, nu onderdeel van DSM), de Nederlandsche Oliefabriek (later Calvé, nu onderdeel van Unilever) en de niet meer bestaande Lijm en Gelatinefabriek, destijds allemaal gevestigd in Delft.

Van Marken was een sociaal pionier. Afgestudeerd aan de Polytechnische School in Delft was hij van het begin af aan gegrepen door het ‘arbeidersvraagstuk’ en ontwikkelde tal van initiatieven om de belabberde werk- en leefomstandigheden van fabrieksarbeiders in de tweede helft van de negentiende eeuw te verbeteren. „Nuttig zijn voor de maatschappij. Daar komt het op aan!”, zei hij al vroeg. „Nuttig zijn voor zichzelf of voor eigen kleine kring is waarlijk een bekrompen houding.”

Allen voor de fabriek

Decennia voordat andere werkgevers er ook maar aan dachten, laat staan dat het in wetgeving werd vastgelegd, richtte Van Marken een ondernemingsraad op – weliswaar met hemzelf als voorzitter. Ook introduceerde hij een ongevallen- en pensioenvoorziening, een winstdelingsregeling en aandelenbezit voor werknemers. „De fabriek voor allen, allen voor de fabriek”, was zijn leus.

Zijn vrouw Agneta, een rijke Amsterdamse koopmansdochter, sloot zich bij zijn idealen aan. Ze inventariseerde de deplorabele woonomstandigheden van arbeiders in Delft en fourneerde in 1882 de middelen voor een klein tuindorp naar Frans voorbeeld met modelwoningen en sociale voorzieningen, zoals een gemeenschapshuis met bibliotheek, waar het echtpaar met behulp van de toverlantaarn lezingen hield ter verheffing van het volk. Dit ‘Agnetapark’ moest op de lange duur eigendom van de arbeiders worden.

In Nederland maakte Van Marken samen met een handjevol andere vooruitstrevende collega-fabrikanten deel uit van het ‘Comité ter bespreking der Sociale Quaestie’. Internationaal was hij een vooraanstaand spreker op conferenties in Parijs en Londen over arbeidersparticipatie. Maar naast bewondering riep Van Marken met zijn eerzuchtige idealisme ook veel weerstand op. Socialistenvoorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis vond hem een huichelaar, die de arbeiders corrumpeerde en slechts de onvermijdelijke revolutie belemmerde. Bij een poging tot bemiddeling bij een staking in de Twentse textielindustrie verweten werkgevers de Delftse industrieel „grenzeloze ijdelheid”.

Van Marken, wiens dadendrang soms duizelingwekkend is, raakte vanaf zijn veertigste verslaafd aan morfine, waardoor hij veelvuldig in kuuroorden verbleef. Bovendien was hij geregeld teleurgesteld in het gebrek aan waardering van arbeiders, die bij een aanvankelijk nog 66-urige werkweek niet altijd even gecharmeerd waren van de zondagse bezoekjes van het weldoenersechtpaar. Zijn idealen, zoals een coöperatieve ondernemingsvorm en de oprichting van een scheidsgerecht voor arbeidsconflicten, kwamen niet van de grond. Agnetapark werd nooit eigendom van de fabrieksarbeiders.

Depressies begonnen in toenemende mate Van Markens functioneren te bemoeilijken. Zijn neef en gedoodverfd opvolger Frans Waller stelde vanaf 1895 de commissarissen voor de keuze: hij eruit of ik eruit. Overigens niet alleen vanwege de onberekenbaarheid van de leider van het concern, maar ook omdat de fabrieken door de vele sociale initiatieven van zijn oom „een zoo ontzaglijk veel hoger onkostenbudget” hadden dan de concurrentie.

Jacques van Marken. De eerste sociaal ondernemer van Nederland boeit inhoudelijk van het begin tot het einde. Auteur Van der Mast is weliswaar een Van Marken-groupie – hij schreef eerder een kleine biografie van Agneta, geeft rondleidingen door het voormalige tuindorp, en is inmiddels de officieuze curator van het al even officieuze Museum Van Marken – maar nam desondanks de industrieel kritisch onder de loep. Ook plaatst hij hem overtuigend binnen het sociaaleconomische krachtenveld in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Jammer is wel dat na een sterk ingezette thematische structuur vanaf ongeveer een derde van het boek een chronologische vertelwijze de overhand krijgt. Dat zorgt soms voor onnodige herhaling en het verhaal dreigt opsommerig te worden en aan vaart te verliezen. Verder storen moderne anglicismen als gadget, exposure en feedback – ongetwijfeld met een knipoog bedoeld – in de zo mooi geschetste negentiende-eeuwse context.

Sociale voorzieningen

Terecht besteedt Van der Mast in zijn boek veel aandacht aan het buitenechtelijke gezin van Van Marken, want het feit dat Agneta geen kinderen kon krijgen weerhield de gedreven ondernemer er niet van bij een andere vrouw zes kinderen te verwekken, van wie er drie volwassen werden.

De auteur steekt zijn morele oordeel hierover niet onder stoelen of banken en is stellig in zijn opvatting dat Agneta hier jarenlang geen weet van zou hebben gehad. Dat laatste is echter niet geheel overtuigend. Van Marken bezocht zijn kinderen geregeld en bracht hen zelfs af en toe naar school, middenin Rotterdam waar zijn eigen commissarissen woonden. Toen hun biologische moeder overleed aan tuberculose werden de drie ‘pleeg’-kinderen door Agneta liefdevol opgenomen in Rust Roest, de villa van het echtpaar in het tuindorp.

De aantrekkelijkheid van deze biografie zit niet alleen in het fascinerende levensverhaal van ‘duivelskunstenaar’ Van Marken, maar ook in het bredere beeld dat de auteur weet te schetsen van wat destijds al social engineering werd genoemd, de ontwikkeling van een stelsel van sociale voorzieningen, en de vraag bij wie de verantwoordelijkheid daarvoor dient te liggen: werkgever, werknemer of de overheid.

Juist in de huidige tijd, waarin getornd wordt aan sociale voorzieningen en de collectiviteit van arbeidsovereenkomsten en pensioenvoorzieningen bijna achteloos ter discussie wordt gesteld, herinnert de levensgeschiedenis van Jacques van Marken er nog eens aan waarom deze ruim een eeuw geleden in het leven werden geroepen.