‘Ik ging elke avond uit eten, drinken, feesten’

Spitsuur Pieter Visschers (53) begeleidt als aalmoezenier de manschappen van het Korps Mariniers met psychische problemen, levensvragen en zingeving. „Ik ga mee op missie en luister veel. Als iemand graag wil bidden, dan doen we dat.”

Pieter: „Ik was altijd al een einzelgänger.”
Pieter: „Ik was altijd al een einzelgänger.” Foto David Galjaard

Pieter: „Vroeger wist ik één ding zeker: ik ga niet in een legerpak in een kazerne rondlopen. Stoere kerels die over tieten en bier praten – dat is niet mijn wereld.

„Ik studeerde theologie aan de Katholieke Universiteit en volgde de media-academie. Daarna was ik vijftien jaar lang televisieregisseur en maakte ik veel documentaires over religie zoals Martin Luther King in Memphis en Nederlandse nonnenordes in Zweden. Verder deed ik live-uitzendingen van kerkdiensten op zondag.

„In de televisiewereld ging het hard, we maakten veel uren. Ik kan flink gas geven, maar op een gegeven moment was het op. Een vriendin zei: ‘Je moet iets anders gaan doen.’ Ze kwam met een vacature: geestelijk verzorger in de gevangenis. Ze zei: ‘Dat is goed voor jou.’

„Omdat ik theoloog ben, kon ik meteen aan de slag. Uiteindelijk heb ik tien jaar in de bak gewerkt. Op een gegeven moment liep ik stage als geestelijk verzorger op de kazerne in Schaarsbergen. Daar dacht ik: Defensie is ook interessant.

„Nu ben ik al een aantal jaren aalmoezenier, katholiek geestelijk verzorger bij Defensie. Ik ga mee op missie en luister veel. Als ik zie dat iemand spiritueel van inslag is en graag wil bidden, dan doen we dat. Maar we kunnen ook samen kijken: aan welke knop kunnen we op persoonlijk gebied draaien? Alles moet tegenwoordig in hokjes geplaatst worden. Volgens het handboek van de psychologie ben je dan DSM-5 nummer 15 sub c – dat is je stoornis. Daar houd ik helemaal niet van: een mens is alles bij elkaar.

„Met de manschappen praat ik over van alles: lang van huis zijn, de kinderen niet zien, een gezinssituatie missen. Soms ontdekken ze dat ze het thuisfront helemaal niet missen. En soms zien mensen het niet meer zitten, dan zijn ze de zin in het werk kwijtgeraakt.

„Toen ik nog bij de televisie werkte, ben ik in Bosnië geweest. Dat was full war, echt afschuwelijk. Het was volstrekte chaos, we gingen even de poort uit en werden door een aantal dronken mannen met pistolen bedreigd. Ik zag een vrouw voor een kapotgeschoten huis aardappels schillen, waar een dag eerder nog mensen in de kelder waren vermoord.

„Dat zijn de dingen waar ik met de mannen in het veld over praat. Of we gelovig kunnen zijn in een organisatie die met geweld te maken krijgt, bijvoorbeeld. De mens is tot veel moois, maar ook tot veel afschuwelijks in staat. Dat motiveert mij weer om het leger te ondersteunen, om ervoor te zorgen dat ze zo goed als mogelijk, correcte dingen doen.”

Knokken

Pieter: „Mijn dagen worden bepaald door afspraken. Ik praat met manschappen, officieren en het kazernepersoneel, geef les of moet het bos in voor een oefening. Ik verzorg bezinningsdiensten. We lezen een tekstje, soms uit de bijbel, draaien muziek en steken een kaarsje op.

„Ik ben rouwverwerker, praatpaal. Ik praat met soldaten over hun mentale problemen, het thuisfront waar iets niet goed gaat, geloof, gedonder in relaties of de vraag: wat zal ik eens doen met mijn leven? De meeste jongens willen gewoon op uitzending. Knokken. Maar dat perspectief is niet helder – er zijn niet zo veel missies meer. Dus dan gaan ze twijfelen.

„Ik sprak laatst een jongen, die zich vier jaar lang had voorbereid om bij het Korps Mariniers te komen. Die had best wat potentie, maar hij zei: ‘Ik word hier panisch, ik moet veel te simpel werk doen.’ We hebben daarom besloten: ga iets doen wat in je hart leeft. We kwamen uit bij de sportopleiding. Laatst kreeg ik nog een appje van hem, dat hij blij is met zijn keuze. En als hij wat ouder is, dan pakt hij de opleiding tot marinier weer op en kan hij alsnog door.”

Priester

Pieter: „Ik was vroeger niet zo’n doorzetter, ik ging nog met de taxi naar de Albert Heijn. Elke avond uit eten, drinken en feesten – het kon mij geen reet schelen. Op een gegeven moment zei mijn huisarts: ‘Het moet anders.’ Het werk bij Defensie zag ik daarbij als een stok achter de deur. Ik ging naar de sportschool, viel twintig kilo af en verhuisde naar de polder.

„Het werk is intensief en pittig. Ik weet niet hoeveel uur ik werk, maar ik slaap sowieso acht uur, anders gaat het fout. Er zijn ook rustigere weekenden. Dan sport ik vrij veel, doe een familiebezoek of zit een beetje in de tuin te wroeten. Op zondag geef ik regelmatig kerkdiensten in de buurt, dan ben ik echt met het geloof bezig.

„Dat geloof zat er al van jongs af aan in. Ik wilde altijd priester worden. Ik weet nog goed dat ik ging lesgeven op een middelbare school, ze hadden daar geen godsdienstleraar meer. Ik was eenentwintig en vond het prima. Ik rolde erin, het was interessant. Daarna heb ik de theologie serieuzer opgepakt. Men keek wel raar. Priester worden, dat was iets vreemds.

„Ik was altijd een einzelgänger. Vroeger ben ik behoorlijk lastiggevallen, ook met geweld en pesten – ik denk omdat ik anders was. Ik zie in de mariniersopleiding ook hoe dat gaat. Als je anders bent dan anderen, dan pakken ze je hoor, die mannen. „Ik ben nu het omgekeerde van wat ik vroeger was. Ik was verlegen, zag er niet uit en was bang van wat anderen van mij vonden. Ik voetbalde niet met de jongens buiten, dat was niets voor mij. Echt bij een groep horen, dat heb ik in mijn leven nooit gehad.

„Nu vind ik het leuk om met z’n allen voorwaarts te gaan – door weer en wind. Als we op pad zijn, dan loop ik meestal achteraan, want dat doet een herder. En als het mij dan ook nog lukt om het verloren schaap mee te trekken, dan ben ik echt gelukkig.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.