Adelheid Roosen: Ik begrijp nooit goed als mensen zeggen: dit is privé, dit is niet voor publiek.

Foto Frank Ruiter

Adelheid Roosen: ‘Ik ben heel vaak gelukkig, om niets’

Adelheid Roosen Actrice

Ook in haar laatste voorstelling vermengt Adelheid Roosen leven en werk. ‘Ik begrijp nooit goed als mensen zeggen: dit is privé, dit is niet voor publiek. Dat loopt bij mij volledig door elkaar.’

Ze mag dan al zestig zijn, zo voelt ze zich in elk geval niet. „Ik denk nog elke dag: ik ben toch zó benieuwd naar wie ik later als ik groot ben zal worden.” Aan energie ontbreekt het Adelheid Roosen duidelijk niet: in de voorstelling rent ze als een meisje over het toneel. Het publiek zit in plukjes stoelen op de toneelvloer. De acteurs – naast Roosen zijn dat George Groot, Titus Muizelaar en Lineke Rijxman – spelen om de toeschouwers heen, raken ze soms even aan of gaan zelfs bij ze op schoot zitten. Er wordt geschreeuwd, gedanst, gehuild en gelachen.

Echt een rol voor Roosen, zou je denken. Want Adelheid Roosen is voor mensen die haar alleen oppervlakkig kennen synoniem aan explosiegevaar, luidruchtigheid en onrust. Een vrouw met maar twee kleuren op haar palet: zwart en wit. En knalrood natuurlijk, voor haar lippenstift. Maar van die exuberante Adelheid is vanmiddag in haar werkruimte in Amsterdam geen spoor te bekennen. Zoals ze achter de tafel zit maakt ze eerder een verlegen indruk. Ze formuleert zorgvuldig, in opvallend lange zinnen, die in uitgeschreven vorm hele alinea’s op zich zouden zijn, maar die toch elke keer foutloos naar de punt toerollen. „Mag ik een sigaret roken?”, vraagt ze na een uur. Ja, waarom niet? We zitten tenslotte in háár atelier. „En mag ik dan hier aan tafel blijven zitten of wil je liever dat ik bij het raam rook?” Als het antwoord luidt dat het hier aan tafel prima is, klapt ze bijna dankbaar in haar handen. „Oh, wat lief!”

Rijsen & Rooxman, DeDikkeMuiz en Sjors gaat over liefde en relaties. Om preciezer te zijn: om de relatie die Titus Muizelaar had met Lineke Rijxman voordat hij twintig jaar geleden een relatie met Roosen kreeg. Hebben die twee eigenlijk nog iets „uit te minnen”? De basis voor het stuk kwam voort uit een privévraag. „Ik zeg aan het begin tegen Titus: jij en ik hebben een relatie. Ik weet niet of ik dat ‘aan’ of ‘uit’ moet noemen. Wat ervaar jij, wat ervaar ik? Jij spreekt nooit over de relatie, jij zwijgt. Jij doet niet aan zelfreflectie. En ik ben juist iemand die dat wél wil ontvouwen; anders word ik ongelukkig. Opeens dacht ik: en als ik er nou ’ns een voorstelling van maak? Dan heb ik de meeste kans dat Titus met mij dat proces ingaat. Toen ik het hem voorstelde, dacht hij een paar seconden na en zei: ik doe het.”

Of het dan relatietherapie op het toneel is? Ze verstart, heel even. „Nee, dat is het doel niet. Maar ik zie nu beter het patroon tussen Titus en mij. Dat helpt enorm. Ook voor mensen die ernaar kijken. Door het zo autobiografisch te maken wordt het direct universeel.”

Roosen speelt om grip te krijgen op haar eigen bestaan. „Ik maak alles vanuit die drang. Ik begrijp nooit goed als mensen zeggen: dit is privé, dit is niet voor publiek. Dat loopt bij mij volledig door elkaar. Ik werk van hart tot hart.” Dat was al zo vanaf het begin, denkt ze, toen ze halverwege de jaren tachtig aan De Nachtshow van de VARA meewerkte. Al had ze er toen nog geen vocabulaire voor.

Thuis in Ulft speelden theater en toneel nauwelijks een rol. Hoewel juist in die jaren haar fantasie geprikkeld werd. „Mijn moeder was ongelofelijk streng voor mij en mijn zus. Ze hield er een soort dictatuur op na. ‘Dit is mijn huis, dit zijn mijn regels.’ Het voelde als gevangen zitten. Tot aan het einde van de middelbare school had ik totaal geen toekomstperspectief. Ik leefde met de gedachte: zij laat mij nooit gaan. Daarom was ik als kind enorm veel buiten. Alleen daar kwam ik aan mijn eigen gedachten toe. Ik kan me in mijn geest heel makkelijk verplaatsen. Ik ben zo gevangen opgevoed dat ik in mijn geest altijd een paadje naar buiten vind. Ik zie altijd de blauwe lucht achter het traliewerk.” Tegelijk voelde ze mededogen met haar moeder. „Zij was van de generatie vóór de feministische golf. Haar kracht en energie stak ze in haar dictatoriale opvoeding, niet in de wereld.”

Lees ook de recensie over Rijsen & Rooxman: Een verpletterende daad van liefde (●●●●●)

Haar vader was directeur van een metaalbedrijf. Een rustige, zwijgzame man. „Op hem waren we verzot. Hij had drie minnaressen: mijn moeder, mijn zus en mij. Hij dacht altijd heel kalm na. Wij vonden hem een wijs iemand.” Hij had aanvankelijk veel moeite met wat zijn dochter als actrice liet zien. De Nachtshow – waarin Roosen het erotisch leven onderzocht – vond hij „ernstig moeilijk”. Dat merkte ze toen haar moeder een keer een weekje weg was. Haar vader had een ongeluk gehad en was daardoor slecht ter been. „Ik dacht: ik ga lekker een week voor hem zorgen. Zaten we ’s avonds op de bank te roken en whisky te drinken.” Totdat het op een avond over De Nachtshow ging. Haar vader ontstak in een vlammend betoog, waarin hij zijn misprijzen over het televisieprogramma niet onder stoelen of banken stak. „Op een gegeven moment stond hij op en sloot hij zijn woedende tirade af met: ‘maar ik heb van mijn moeder geleerd: als jij wilt doen wat jij wilt doen, dan moet jij doen wat jij moet doen’. Waarmee hij dus zei: ik ben het er totaal niet mee eens, maar ik zal je ook nooit tegenhouden. Ik wist niet wat ik hoorde. Vrij zijn was voor hem het hoogste goed.”

„We realiseerden ons, zittend naast onze dode vader, opeens wat we in het contact met hem eigenlijk waren misgelopen.”

Ze was een doerak, een ADHD-kind. „Ze vonden me allemaal lastig. Als ik weer eens bij de hoofdmeester moest komen riep mijn vader me bij zich. ‘Vond je het zelf in orde wat je deed? En wat wordt nu het pad dat je gaat lopen?’ Hij bood je een blik op jezelf. Dat reflecteren op jezelf is echt iets wat ik van hém aangereikt heb gekregen. Later zag ik pas hoe nuttig dat is. Kijk naar de situatie, pel ’m af. In feite heeft hij mij het gereedschap aangereikt waarmee ik nog elke dag werk.”

Haar moeder had niets van dat beschouwelijke. „Zij was vooral een straffer. Toen mijn vader overleed zijn mijn zus en ik de hele week bij mijn moeder geweest om alles te regelen. Als mijn moeder ’s avonds naar bed was, zaten we samen met zijn whisky naast zijn kist. Op een avond hebben we een keer de fantasie toegelaten dat niet híj was overleden, maar zíj. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar dat was zo heerlijk, zo bevrijdend. ‘Hij komt nu lekker bij ons in Amsterdam wonen. Gezellig met z’n drieën in één huis.’ We realiseerden ons, zittend naast onze dode vader, opeens wat we in het contact met hem eigenlijk waren misgelopen.”

Maar ze namen zich ook direct voor om over hun moeder te waken. „We waren wel dusdanig door de mentaliteit van onze vader aangeraakt dat we dachten: ‘mam, wij gaan goed voor jou zorgen’. Niet dat daar nou twee dochters zaten met woest stromende liefde voor hun moeder, maar we namen ons voor om alles voor haar te doen. Dat hebben we ook tegen onze vader gezegd, toen het deksel van de kist er nog af was: ‘pap, we doen het!’.”

Haar vader werd bij zijn eigen ouders begraven, in een stad ver bij haar moeder vandaan. Die verhuisde kort daarna, om vrijwel naast het kerkhof te gaan wonen. En vanaf dat moment zette haar neergang in. „Sluimerende Alzheimer kan door rouw verergeren. Als je dan ook nog ’ns verhuist, kwadrateert die desoriëntatie.” Ze weet nog precies dat ze op een ochtend met haar zus bij haar moeder op de koffie kwam. „Ze zette een blad op tafel met de koffiekopjes en een porseleinen schaal. Op die schaal lagen een paar centimeterdikke rauwe biefstukken, ingesmeerd met boter. ‘Ja jongetjes’, zei ze, ‘ik heb nou toch een lekkere bakker ontdekt.’ Dat was echt zo’n kantelseconde: in een flits snap je hoe het zit: Alzheimer. Voor mijn zus was het een verlammende schok. Ze begon te huilen. Terwijl mijn hart opensprong en ik dacht: ‘eindelijk, dáár is ze. Nu komt ze tevoorschijn’. Ik zag opeens de spontaniteit van een kind. Vanaf dat moment begon de toenadering tussen ons.”

Mantelzorg

Vanaf die dag was ze mantelzorger, twaalf jaar achtereen. Dat klinkt lang, maar het was een rijk proces, analyseert ze. „Ik ging gewoon met mijn laptop naast haar in bed liggen. Dat ging prima samen. En ik nam haar mee als ik lesgaf op de Toneelschool. Er wordt veel te snel gedacht: dat kan niet, zo dóén wij dat niet. Of mensen zeggen: ‘ja, maar ik kan helemaal niet met mijn moeder opschieten’. Nou, dan doe je toch de tuin?”

Vier miljoen Nederlanders zorgen voor iemand die ziek of heel oud is. ‘Er blijft nauwelijks iets van mezelf over’

Ze begon de momenten met haar moeder ook te filmen. Niet bedoeld om aan anderen te laten zien, benadrukt Roosen. „Ik wilde de tederheid van de fases van wie mijn moeder aan het worden was vastleggen. Als ik op bezoek kwam, veegde ze soms ineens een plank van haar kledingkast leeg, zodat haar opgevouwen kleren op de grond vielen. Ondertussen keek ze naar mij met zo’n blik van: ‘ik ben lekker stout’. Daarna veegde ik een plank leeg. En dan zij weer een plank. Zo brachten we hele middagen door. Al spelend. Ik werd er blij van. Eindelijk was ze verlost van haar eigen strenge protocol.”

Ze maakte ook een opname waarin ze samen op een rood kleed liggen. Allebei met een incontinentieluier aan. Toen ze uit die opnames de film Mam samenstelde, stuitte dat op onbegrip van de buitenwereld. Waarom liet Roosen haar moeder in al haar kwetsbaarheid zien, zonder dat zij er zelf weet van had? Ze was er zelf stomverbaasd over. „Ik dacht bij die beelden: kijk nou toch hoe móói ze is. Ik zag zelf juist een vrouw, een kind, een minnares, een engel. Zo gracieus.” Of haar moeder dat ook gevonden zou hebben? Want zij kon er in dat stadium zelf niks meer over zeggen. „Dat is absoluut waar”, beaamt Roosen. „Ik heb daar toen nooit bij stilgestaan. Maar ik denk nog steeds dat het zuiver was. Mensen vroegen dat ook, bij nabesprekingen van de film: kan dat wel? En altijd antwoordde ik: ‘Jullie zijn toch bijna allemaal vaders en moeders? Dat doen jullie bij jullie baby’s toch ook? Je filmt en fotografeert ze bloot, in een luier, plassend en poepend. Dat vindt niemand raar.’ Hoeveel duizenden mensen liggen er in dit land in een incontinentieluier te vereenzamen? Dát wilde ik graag onder de aandacht brengen. Inmiddels snap ik de reacties beter. Door met mensen in gesprek te gaan snap ik hoe bang mensen zijn om voorbij de maskerade van het bestaan te kijken.”

Uiteindelijk kwamen moeder en dochter tot elkaar, dichterbij dan ze ooit geweest waren. „Ik kon bijna niet geloven dat ik het meemaakte. Ik hield haar hoofd vast toen ze stierf, en zei daarna: ‘mam! Je bent dóód!’. Als een mededeling aan haar.”

Ze beseft dat ze zelf inmiddels ook ruimschoots over de helft is. „Dat heb ik al sinds de overgang. Dan begint het leven zich langzaamaan te versmallen. Het is een soort piramide die omkantelt: eerst is de toekomst dat brede vlak, daarna dat smalle punt.” Dat doet aan haar geluk niks af. „Ik ben heel vaak gelukkig, om niks.” Dat heeft ook alles met haar werk te maken. Neem de WijkSafari’s, die ze sinds 2012 maakt. In de Bijlmer, in Amsterdam Slotervaart, in een asielzoekerscentrum in Utrecht, of in Mexico. Met buurtbewoners of vluchtelingen als acteurs. Zo’n WijkSafari is in essentie een oefening in contact maken, zegt Roosen. „Het zijn voorstellingen waarin ik jou meeneem op visite in een mensenlandschap waar je nooit komt. Waarvan je je later afvraagt: waarom ben ik daar eigenlijk nooit eerder naar toe gefietst?” Van tevoren loopt ze wekenlang in zo’n wijk rond. „Dan zwerf ik eindeloos door die straten, probeer zo’n wijk te proeven. In Bos en Lommer kwam ik via Saïd Bensallam in gesprek met een paar van die gasten op scooters. Ineens dacht ik: vervoer! De toeschouwers tijdens de voorstelling moeten vervoerd worden door de wijk. Daar kunnen we hen voor vragen. ‘En hebben jullie weleens een scooter-choreografie gemaakt? Hoe cool is dat?’ Vonden zij ook. Ze deden dus mee. Dat zijn zulke fantastische projecten.’

„Door met mensen in gesprek te gaan snap ik hoe bang mensen zijn om voorbij de maskerade van het bestaan te kijken.”

Of het ongemakkelijk is dat veel buitenstaanders haar toch eerder associëren met chaos en rumoer dan met harmonie en verbinding maken? Ze zucht diep. „Ik begrijp wat je bedoelt. Ik verbaas me er nog altijd over hoe dat werkt. Maar ja, een handvol mediamomenten blijven kennelijk hangen. Zo werkt ‘imago’. Wij bestaan uit aannames. Kijk naar De Nachtshow. Ik dook het nachtleven in om allerlei facetten van het erotische leven te researchen. Dat is in essentie echt niet anders dan wat ik nu doe. Maar mensen onthouden kennelijk andere dingen.”

Of ze het leven nu beter snapt dan toen ze dertig was? Ze antwoordt resoluut. „Wel meer dan toen ik dertig was. Maar niet meer dan toen ik veertig was. Op je dertigste denk je voortdurend: oh ja, oh ja… Op een bepaald moment kom je tot een soort weten. Dan wordt het vooral een soort bewustzijn.”

Ze is ook niet minder bang dan vroeger. „Ik ben voor sommige dingen juist ontzettend bang. Alzheimer krijgen. Maar dat weerhoudt me niet om voluit te leven. Ik denk toch al snel: dat is weer een ander spel. Wat zijn dan de nieuwe spelregels? Ik zoek altijd naar een oplossing. Want achter de tralies is er altijd blauw. Zoals ik dat met Titus niet opgelost kreeg. Dan probeer ik het in beweging te zetten. Pas als het stilstaat word ik ongelukkig.”

Rijsen&Rooxman, DeDikkeMuiz&Sjors is volgend weekend nog te zien in Den Bosch en Rotterdam. Informatie: www.adelheidzina.nl