Fritzi in Krasnapolsky

Halte Poëzie

In november 1974 betrok de dichter, vroeger bekend als Fritzi Harmsen van Beek, op uitnodiging van De Bezige Bij een suite in Hotel Krasnapolsky aan de Dam om daar de hand te leggen aan een dichtbundel die Toen ik van Amsterdam vertrokken en weer terug was moest gaan heten. Het werd Kus of ik schrijf. De dichter „hield hof vanuit bed”, zoals verloofde Vincent Steinmetz liet weten aan biograaf Maaike Meijer. Hij was er „uitsluitend uit genegenheid en voor het gemak”, schreef de dichter zelf aan haar redacteur Oscar Timmers, „want de Spaanse kamerbediening dreigde me al om 7 uur ’s morgens te lijf te springen, het geen me flatteerde, maar ja, ik heb soms andere dingen aan me hoofd.” Aan uitgever Geert Lubbers schreef ze: „Aan het onthutste roomservies heb ik verteld dat dit jong [Vincent Steinmetz] m’n oudste zoon is, die zònder pijpekrullen. Ze geloven me kennelijk niet, maar cross my heart, we doen nooit iets verkeerds, ik bedoel, je weet wel, dat héle erge, wat van niemand eigenlijk mag.”

Harmsen van Beeks verhouding tot Amsterdam mag uitzonderlijk heten. Is het normaal gesproken zo dat dichters de provincie verlaten om naar de stad te gaan, in haar geval kwam Mohammed naar de berg, terwijl zij woorden als ‘verloofde’, in de betekenis van vriend of geliefde naar de stad seinde. Op Jagtlust, het landhuis in Blaricum waar ze van de gemeente Amsterdam mag wonen, kon je in een bepaalde periode een voortreffelijke bloemlezing uit de vaderlandse letteren treffen, van Campert tot Reve, van Claus tot Nootenboom. Harmsen van Beek had nog vrijwel niets gepubliceerd toen ze als Mevrouw Oofi voor de eerste keer beroemd werd door haar even stralende als turbulente aanwezigheid in ‘Brief uit Amsterdam’ (1962) van Gerard Kornelis van het Reve. De tweede keer kwam in 1965 met Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten. In de stad werd over niets anders gesproken, overal hoorde je het rondzingen: ‘Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping// is U de zachte nacht bevallen, hebben de on/ deugende, geheimzinnige planten naar behoren// gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige/ zuigelingen aan de builenpest bezweken?’

Zo’n uitbraak van poëzie heeft de stad geloof ik niet meer gekend, of het moet Poëzie in Carré uit maart 1966 zijn geweest. Waar Harmsen van Beek overigens ontbrak. Inmiddels zitten we met haar Verzameld werk. Waar, zoals dat gaat, van alles in ontbreekt. Zoals haar haiku’s: ‘tevreden schildpad:/ ziezo, laatste vijftig jaar/ wéér niks uitgevoerd’. In 1948 woonde de 17-jarige Fritzi in de Binnen Brouwersstraat. Toen Lucebert haar kwam bezoeken heeft ze hem de trap af geduwd. Poëzie is overal.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.