Tussen de schapen op de natte heide

NRC Seizoenswandeling Op het Drentse Dwingelderveld, loop je langs rupsen aan dunne draadjes, in een mozaïek van bos, heide, veen en grafheuvels.

Illustratie Tjarko van der Pol

De wielewaal is te vroeg. „Dudeljo!” klinkt het over het Dwingelderveld, en dan nog eens: „Dudeljo-ho”. Net als in het kinderliedje. „Kom mee naar buiten allemaal, dan zoeken wij de wie-hie-hie-le-waal. En horen wij die muzikant, dan is zomer in het land…” Maar het is nog helemaal geen zomer hier in Drenthe. Gelukkig niet. Want er gaat niets boven mei: de maand van geurig fluitekruid, van half-volwassen lammetjes, van jong doorschijnend beukenblad. Overal exploderend groen. Wie eind april weggaat uit Nederland en begin mei terugkeert, komt thuis in een compleet ander land. Eén en al blad. Zo, zei een vriendin, voelen ouders met jonge kinderen zich soms: je kijkt er even niet naar om en opeens zitten ze in de puberteit.

In de bossen rond het Dwingelderveld abseilen de rupsen aan dunne draadjes uit de eikenbomen. Aan weerszijden van het pad klinkt zacht getik. „Het ritselt hier van de rupsenpoepjes”, zegt een passerende wandelaarster. Ze knipoogt erbij, maar voor de zekerheid trek ik mijn kraag op.

Twee langeafstandswandelaars lopen hier een deel van het Jacobspad, dat aansluit op de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. Over enkele maanden lopen ze in de Spaanse zon, nu in het lommerrijke bos. De bomen langs het pad vormen één grote groene erehaag. Eiken wisselen af met berken, met lariksen, met beuken. Zelfs de altijd groene sparren vieren de lente met lichtgroene uitlopers.

Het Dwingelderveld is een mozaïek van bos, heide, veen – die laatste twee vormen samen de grootste ‘natte heide’ van Europa. De laatste jaren worden speciale vernattingsmaatregelen getroffen, zoals het dempen van sloten, om het waterpeil te verhogen. Geen overbodige luxe, want zo fris en groen als het bos is, zo droog ogen sommige delen van de heide.

In de nattere delen bevinden zich tientallen veentjes: lage, voedselarme delen waarin hoogveen kan ontstaan. Hier loopt de route over een pad van houten boomstammen – een knuppelpad om de kwetsbare vegetatie te ontzien. In het veen groeien onder andere veenmossen en lavendelheide. Eromheen ziet het wit van het veenpluis, alsof iemand een donzen kussen uiteen heeft getrokken en de inhoud hier rond heeft gestrooid. Her en der vliegen libellen. Te ver weg en dus blijft het gissen: de Noordse glazenmaker, de vuurjuffer, de koraaljuffer?

Gigantische witte schotel

Na de bossen en de veentjes volgt de open grote heide. Aan de horizon steekt een gigantische witte schotel af tegen de bosrand: de DRT, Dwingeloo Radio Telescoop. Hier geplaatst in 1956, en korte tijd (met een diameter van 25 meter) de grootste ter wereld. Inmiddels is de radiotelescoop, bedoeld om signalen uit de ruimte te detecteren, met pensioen, en is hij in faam voorbijgesneld door LOFAR, de veel sterkere radiotelescoop die in 2010 werd geopend nabij de Drentse dorpen Exloo en Buinen. Toch heeft Dwingeloo dankzij de DRT ook nog altijd sterrenstatus: twee door de telescoop ontdekte sterrenstelsels in de buurt van de Melkweg zijn naar het dorp vernoemd. Dwingeloo 1 en 2 liggen op zo’n 10 miljoen lichtjaren hiervandaan. Daarbij lijkt de afstand van de zon naar de aarde – 8,3 lichtminuten – opeens betrekkelijk klein. En deze wandeling over het Dwingelderveld is al helemáál een kippeneindje.

Verderop staat de schaapsherder, een brede hoed tegen de zon, omringd door een bruin-witte kudde. Zelfs de lammetjes hebben hoorns. Vierhonderd Drentse heideschapen, bedoeld om de oprukkende pollen pijpenstrootje – een grassoort die de heidestruiken verdringt – in toom te houden. Aaien mag, zegt ze, maar elk schaap dat ik benader deinst angstig achteruit. Ze lacht. „Je kiest ook wel de bangste dieren uit.”

Op een heuvel in de buurt van de kudde ligt een man te zonnen, zich schijnbaar onbewust van het feit dat hij op een duizenden jaren oud graf ligt: zo’n 2.500 jaar geleden begroeven de Drentenaren hier hun doden. Veel later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, sloegen de Duitse manschappen hier tijdelijk hun bivak op. „Heb je ’m al gezien?”, hoor ik plotseling achter me, en als ik me omdraai staat er een vrouw met een verrekijker om haar nek. Even denk ik dat ze de man op de grafheuvel bedoelt, maar direct erachteraan zegt ze, bijna buiten adem: „Een draaihals, er zou hier een draaihals zitten!” Als ik beken dat ik nog nooit een draaihals heb gezien – zelfs niet op een plaatje – druipt ze teleurgesteld af richting een groepje jeneverbesstruiken. „Hij ziet eruit als een bruine specht!”, roept ze nog over haar schouder.

Draaihals of niet, ik houd het voor gezien voor vandaag. Om het lentegevoel zo lang mogelijk te rekken, heb ik besloten een nachtje te gaan kamperen. Op natuurcamping Lheederzand, vlak langs de route, zet ik mijn tent op. De zon gaat onder tussen de dennen, nieuwsgierige reeën komen kijken. In de verte roept een bosuil – een vogel die zich net zomin als de wielewaal iets aantrekt van basisschoolwijsheden. In mei leggen alle vogels een ei? Niets daarvan. De bosuil maakt meer vaart – die legt ze al in maart.