De omstreden ‘messias’ die stierf als baron

Olga Tokarczuk In haar nieuwe boek reconstrueert deze Poolse schrijfster het leven van een Joodse rebel uit de 18de eeuw, die zich uitriep tot de nieuwe messias maar wiens verhaal in de doofpot werd gestopt.

Foto Roberto Riciutti / Getty Images

‘Ik ben niet van de straat”, zegt Olga Tokarczuk, „maar toen ik jaren geleden in een antiquariaat een boekje vond over Jacob Frank, had ik nooit van hem gehoord.” Ze las het, was overdonderd en ging op onderzoek uit. Wie was deze omstreden religieuze leider uit de 18de eeuw, die afvallige Poolse Jood die zich uitriep tot de nieuwe messias en zich meermalen tot een ander geloof bekeerde? Die charismatische, mystieke rebel, die door zijn volgers werd aanbeden, maar door anderen als oproerkraaier en verrader werd gezien? Hoe zag het leven eruit van de subversieve grondlegger van het Frankisme, die vanwege zijn denkbeelden dertien jaar in de kloostergevangenis van het Poolse Czestochowa doorbracht? En vooral: waarom bleef hij zo lang volstrekt onbekend?

Op die laatste vraag heeft Tokarczuk (1962) een duidelijk antwoord. „Zijn verhaal is actief verdonkeremaand. Hij was zeer kritisch over de rooms-katholieke kerk en de sekte die hij in het leven riep werd als godslastering gezien. De kerk voerde een heilige inquisitie tegen hem, zijn naam werd uit de annalen gehaald, geen spoor bleef er van hem over.

„Ook de orthodoxe Joden, nota bene zijn eigen achtergrond, hebben hem actief willen vergeten. Voor hen was hij een verrader, een provocateur, een man die aanzette tot zonde, dood en verderf. Tot slot hielden zijn eigen afstammelingen, zijn zonen en kleinzonen, hun afkomst geheim. Ze veegden alles onder het tapijt, noemden zijn naam niet, omdat ze wilden integreren in de Poolse samenleving. Daar slaagden ze ook in, zij waren het die in de 19de eeuw de Poolse middenklasse schiepen. Sommigen werden beroemd, zoals de dichter Adam Mickiewicz en zijn vrouw, de pianiste Maria Szymanovska.”

Maar Tokarczuk, Polens beroemdste hedendaagse schrijfster en vorig jaar winnares van de Man Booker International Prize voor haar roman De rustelozen, liet het er niet bij zitten. Ze spitte in archieven, las annalen en kronieken, reisde stad en land af en publiceerde vijf jaar geleden in Polen De Jacobsboeken, die nu in de indrukwekkende vertaling van Karol Lesman negenhonderd bladzijden beslaan.

Het boek is meer dan een biografie, het is een waar fresco: in een veelheid van poëtische, mystieke en religieuze verhalen, vervlochten met het leven van een duizelingwekkend aantal personages, geeft Tokarczuk haar beeldende interpretatie van het 18de-eeuwse Polen. ‘De tijden raken in elkaar verward en vallen over elkaar heen’, laat Tokarczuk een van haar personages denken, ‘Hoe heeft ze ooit kunnen geloven dat de tíjd verstríjkt? [...] de tijd wervelt, zoals een rok tijdens een dans. Zoals een uit lindenhout gesneden en op tafel in beweging gezette bromtol die de blik van de ernaar starende kinderen vasthoudt.’

Tokarczuk: „We zien vaak alleen de kleine beweging in de geschiedenis, niet de grote. Het schrijven over Jacob Frank stelde me in staat de Verlichting te bestuderen, niet alleen in Polen, maar in heel Europa. In de 18de eeuw werkt Diderot in Frankrijk aan zijn Encyclopédie. Op hetzelfde moment begint priester Chmie- lowski aan Het nieuwe Athene, een idioot boek: als een wikepediaan avant la lettre wil hij alles opschrijven, alles documenteren, alle kennis over het leven verzamelen.

Lees ook: Minnaressen, geldnood en vriendschap met de tsarina: het meeslepende leven van Diderot

„Diderot en deze Poolse priester hebben, duizenden kilometers van elkaar verwijderd, hetzelfde idee opgevat. Jacob Frank past daarin: met metafysische en religieuze argumenten schetst hij een beeld van een nieuwe maatschappij, een met meer gelijkheid, broederschap en vrijheid.

„Wat mij fascineerde was dat Jacob Frank uit een van de laagste maatschappelijke klassen op wist te klimmen naar de hoogste. Ondanks het feodale Poolse systeem van die tijd werd hij in één leven, binnen één generatie, aristocraat, hij stierf als baron! Dit type levensloop werd mogelijk in de eeuw van de Verlichting, iedereen kon alles bereiken.”

Schrijvers, mensen die de tijd vastleggen en levensgeschiedenissen optekenen, zijn prominente personages in De Jacobsboeken. Zo is er de oude Nachman Samuel ben Lewi uit Busk, ‘kurkdroog en gebocheld’, een van de metgezellen van Jacob Frank. Voor Nachman is schrijven ‘als jeuk, het houdt pas op als hij de chaos van zijn gedachten tot zinnen om kan vormen. Het krassen van de pen maakt hem rustig. [...] Alles valt dan op zijn plaats, wordt concreet, raakt gerangschikt.’ Ook priester Chmielowski wil rangschikken, ordenen. ‘God heeft dit alles bij toeval geschapen en is toen vertrokken’, zegt een van de personages, ‘ziedaar het grote geheim’.

Tokarczuk herkent die missie: „In mijn boek wilde ik mijn eigen interpretatie aan de 18de-eeuwse geschiedenis van Polen geven, en die verbinden met wat al bekend was. Je kunt je voorstellen wat voor enorme hoeveelheid research ik heb verricht. Ik ben zelfs begonnen Hebreeuws te leren – maar dat bleek te moeilijk.

„Als je zo’n onderzoek doet moet je je heel goed oriënteren. Dat mensen in die tijd vaak van naam veranderden was voor mij echt een nachtmerrie. Oorspronkelijk wilde ik aan het eind van het boek een namenlijst opnemen, om uit te leggen wie wie is. Maar uiteindelijk realiseerde ik me dat die verwarring juist bij dit boek hoort.

„Orde scheppen uit chaos – dat is een heel humanistisch standpunt. Tegenwoordig geloven we daar niet meer in. Historici, filosofen zien een nieuwe tijd, een nieuw paradigma. Welke dat is? Ik zie dat we nog steeds geworteld zijn in het humanisme, maar ook dat het niet meer werkt. De ideeën uit de Verlichting vallen uit elkaar. Hoe die zich de komende tijd zullen ontwikkelen? Geen idee.”

‘De hele waarheid is in de filosofie van de Verlichting’, zegt een van uw personages. Het lijkt een statement, om juist nu een boek te publiceren over de eeuw van de Verlichting.

„Wat ik vooral wil laten zien, is dat je de geschiedenis van Europa niet kunt schrijven zonder die van de Joden erbij te betrekken. Zonder hen kun je de Poolse geschiedenis en cultuur niet begrijpen. Het is zo’n vervlochten geheel. Er is de laatste tijd een tendens om de Joodse geschiedenis als een apart, klein deel van de Poolse historie te beschouwen. Dat is onmogelijk.”

Lees ook: Historicus Ivan Jablonka: ‘De waarheid bestaat. Ze is geen gezichtspunt’

De Nederlandse geschiedenis kent ook een Frank: Anne.

„Ja, die naam vertelt een internationaal verhaal. ‘Frank’ betekent oorspronkelijk vreemdeling. Een rode lijn in mijn boek is hoe assimilatie werkt, hoe mensen op heel verschillende manieren proberen te integreren. Mijn personages worden in het nauw gedreven en vinden steeds opnieuw een manier om zich aan te passen. Ze willen echte burgers zijn, een plek verwerven in de maatschappij. Daarom doen ze wat ze doen. De vrouwen net zo goed.

„Dat laatste vond ik ook tot mijn missie behoren. Ik was er vanaf het begin zeker van dat vrouwen belangrijk waren geweest voor de beweging van Jacob Frank. Maar in de archieven vond ik ze niet. Soms vond ik een enkele vrouwennaam, bijvoorbeeld iemand over wie alleen opgetekend was dat ze sleutels bij zich droeg. Ik bedacht dat ze misschien toegang had tot voorraden voedsel – een belangrijke functie in die tijd.

„Voor de compositie had ik een sterke stem van buiten nodig, iemand die alle verhalen bij elkaar hield. Dat werd Jenta, de vrouw die alles ziet, de goede geest van de roman. Ze heeft die typisch zwarte humor die oude vrouwen soms kunnen hebben. Zo heb ik steeds plotlijnen rond vrouwen verzonnen. De geschiedenis heeft alleen de activiteiten van mannen opgetekend, de vrouwen zijn eruit verdwenen.”

Uw boek zit ook vol details over het dagelijks leven. Heeft u daar een beroep gedaan op uw verbeelding?

„De roman als genre valt of staat bij details. Zonder die precieze elementen is het geen roman. Je moet niet alleen lezen dat er dingen gebeuren, maar ook proeven wat er gegeten wordt, zien wat voor kleren de mensen dragen. Vrouwenlevens vertellen je dat.”

Tokarczuk groeide op in een dorpje in Zuid-Silezië, waar in de loop der eeuwen om gevochten werd door Tsjechen, Polen, Duitsers en Pruisen. Haar grootouders vestigden zich in die streek. Tokar-czuk voelt zich innig verbonden met de Poolse taal, cultuur en met haar Zuid- Silezische vallei. De roman waarmee ze dit jaar op de shortlist van de Man Booker International Prize stond – Drive Your Plow over the Bones of the Dead, nog niet in het Nederlands vertaald – speelt zich daar af. Over die vallei schreef ze eerder Huis van de dag, huis van de nacht (2000), waarmee ze de plek een mythologie gaf, van sprookjes en legenden voorzag.

Veel elementen in uw werk zijn als het ware vloeibaar: landen, identiteiten, niets is in marmer gehouwen. Mensen zijn nomaden, de reis een vorm van leven.

„In die zin ben ik heel Midden-Europees. In een oude Britse encyclopedie las ik ooit dat Polen een land was dat soms opdook op de kaart, maar nooit twee keer op dezelfde plek. Het was een grapje, maar er zit wel wat in. Mijn grootmoeder was tijdens haar leven een burger van drie verschillende landen, terwijl ze nooit een stap buiten haar dorp heeft gezet. Wij zijn voortdurend in beweging.”

In uw boek laat u zien dat dat ook voor de geschiedenis van Polen geldt.

„Ik heb altijd gedacht dat de geschiedenis een afgerond, gesloten hoofdstuk was. Ik realiseer me nu dat iedere generatie zijn eigen geschiedenisboek heeft. Iedere generatie heeft zijn eigen ideeën, het perspectief van nu verschilt van eerdere. Dé historische roman bestaat niet. Er is alleen onze projectie op de geschiedenis. Als dit boek een eeuw geleden was geschreven, was het volstrekt anders geweest.”