Leerlingen leren op school nauwelijks wat over de Europese Unie

Onderwijs Kennis over de Europese Unie onder Nederlandse jongeren is laag, blijkt uit onderzoek. Ook leraren vinden het onderwerp soms lastig. Ze schakelen hulp van buitenaf in.

Stella Letschert van ProDemos legt uit over de Europese Unie.
Stella Letschert van ProDemos legt uit over de Europese Unie. Foto David van Dam

„Doe nog even goed mee”, smeekt leraar maatschappijleer Jeroen Coumou zijn derdeklassers. Coumou is deze vrijdagmiddag meer politieagent dan leraar. Op de drempel van het weekend kunnen zijn vmbo-leerlingen aan het Scheepvaart en Transport College (STC) in Rotterdam zich lastig concentreren op hun gastspreker.

Stella Letschert wil de leerlingen, met de oog op de Europese verkiezingen, graag iets leren over de Europese Unie. Letschert werkt bij ProDemos, een organisatie die op verschillende manieren jongeren probeert te informeren over de democratie. Negen op de tien leerlingen in de klas zijn jongens. Zij kozen een profiel dat voorbereidt op een baan in de scheepvaart- en transportsector. Een handig bruggetje naar de Europese Unie. „Wie gaat hier de scheepsvaart in?”, vraagt Letschert. „Komen de schepen die hier afval dumpen alleen uit Nederland?”

Kennis over de democratie en rechtsstaat, ook wel burgerschapskennis genoemd, is slecht ontwikkeld onder Nederlandse jongeren. Zeker in vergelijking met andere West-Europese landen, bleek uit onderzoek in 2016 van het International Civic and Citizenship Education Study.

Hessel Nieuwelink, lector burgerschapsonderwijs aan de Hogeschool van Amsterdam, weet dat de Europese Unie helemaal een ondergeschoven kindje is bij de Nederlandse jeugd. In 2016 promoveerde hij op onderzoek naar de democratische gezindheid van Nederlandse jongeren. „Als er al aandacht is voor burgerschap op middelbare scholen, dan komt de Europese Unie daar nauwelijks in voor.”

Verplicht aandacht

Een wet uit 2006 verplicht scholen om aandacht te besteden aan burgerschap. Maar wat burgerschap inhoudt of hoeveel uur het vereist, blijft onbenoemd. Minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie) constateerde vorig jaar dat Nederlandse leerlingen „weinig kennis van de basisprincipes van democratie en rechtsstaat” hebben. Zijn ministerie scherpt de wet uit 2006 nu aan, zodat scholen meer duidelijkheid krijgen over de invulling van burgerschapsonderwijs. Een minimaal aantal uren wordt niet vermeld.

Naast de verplichting om aandacht te besteden aan burgerschap, moeten scholen ook maatschappijleer geven, een vak waar ook veel gesproken wordt over democratie en rechtsstaat - en dus ook over de Europese Unie. Maar vmbo-scholieren krijgen maar tachtig uur maatschappijleer, in vier jaar tijd, benadrukt Nieuwelink. Te weinig om de Europese Unie goed te behandelen. Daarnaast staat het onderwerp vaak heel summier in de lesmethodes. De Europese Unie krijgt in de meest gebruikte methode op het vmbo, Thema's Maatschappijleer, twee pagina’s toebedeeld, die ook nog eens gedeeld moeten worden met de Verenigde Naties.

Ook de commissie-Remkes, die onderzoek deed naar democratische vernieuwing, vindt het aantal uren voor maatschappijleer te laag. In de ogen van de commissie moeten leerlingen het vak bovendien gedurende hun hele middelbare schooltijd volgen. Ook zou maatschappijleer verplicht onderdeel van het eindexamen moeten worden, zodat het niet meer als ‘compensatievak’ beschouwd kan worden.

Want zo wordt maatschappijleer geregeld gezien door scholen, zegt lector Nieuwelink. „De school wil dat de leraar ervoor zorgt dat leerlingen aan het einde van de rit een 7 staan, zodat ze daarmee andere vakken kunnen compenseren.”

Vmbo-scholieren van het Scheepvaart en Transport College Rotterdam. Foto David van Dam

Lastig onderwerp

Naast de weinige mogelijkheden voor maatschappijleraren om de Europese Unie te behandelen, vinden zij het zelf vaak ook een lastig onderwerp. Bij wijze van proef gaven de studenten van universitair docent Europees recht Hanneke van Eijken vorig jaar presentaties op middelbare scholen. „Leraren waren blij dat wij de Europese Unie behandelden, omdat ze zelf ook niet precies wisten hoe ze werkt”, zegt van Eijken. Dat beaamt maatschappijleraar Coumou. Hij vindt de EU een „moeilijk onderwerp” en is blij met de expertise van organisaties als ProDemos.

Nieuwelink is eveneens tevreden met initiatieven van buitenaf die de kennis over de Europese Unie proberen te vergroten, zeker op vmbo-niveau. Vaak zijn dit soort projecten namelijk alleen voor havo en vwo, zegt hij, „terwijl de kenniskloof al jaren groeiende is”. Over de opzet is hij wel kritisch: „Er is een neiging om het veel over instituties te hebben en weinig over de essentiële vragen die horen bij de Europese Unie. Uiteindelijk is de bedoeling dat leerlingen gefundeerde opvattingen ontwikkelen over grensoverschrijdende vraagstukken. Draai het eens om: begin met een vraagstuk, en laat de leerlingen nadenken over de oplossing daarvan. Vanzelf kom je uit bij de huidige instituties als het Europees Parlement. Vervolgens kan daar een discussie over ontstaan. Ook in de lesmethodes voor maatschappijleer is dit een probleem, al besteden de nieuwste versies wel steeds meer aandacht aan dit soort vragen.”

Europees leger

In de les van ProDemos op het STC in Rotterdam komen die vragen op het einde aan de orde. Letschert laat de leerlingen over verschillende stellingen discussiëren. Moet er bijvoorbeeld een Europees leger komen? „Amerika is groot, wij hebben allemaal kleine legers”, zegt een leerling. „Maar we spreken toch niet dezelfde taal?” zegt een ander. Als iemand oppert dat ze Engels kunnen spreken, wordt hij weggehoond. „Ooit een Fransman gezien die Engels kan?”

Eerder dit jaar bezocht Coumou met zijn klas het Binnenhof. „Voor leerlingen is dat nog het waardevolst: de Tweede Kamer van binnen bekijken, Kamerleden aan de slag zien. Zo krijgen ze een beeld krijgen bij de democratie.”