Laat mij maar lekker slapen

Essay slapen Slaap is niet meer iets voor de outcasts constateert tevreden. Slapen is nu iets om te koesteren, om mee te pronken.

Foto Melissa Schriek

Hoe opmerkelijk het was besefte ik pas later, oh ironie, in bed. Het gesprek was die avond gekomen op slapen, het kopen van bedden om precies te zijn, zoals consumptie wel vaker een vehikel is om te praten over het goede en hoe te leven. En dus ging het over bedden, dure bedden, waar sommigen nog over spraken alsof het een gedroomde vakantiebestemming was, en waarin anderen het licht al hadden gezien. Er klonken moderne wijsheden, over het belang van slaap en het percentage levenstijd dat je in bed doorbrengt. Anekdotes, tips en trucs en gadgets.

En toen in bed realiseerde ik me dat we het in een café zeker een half uur over slaap hadden gehad.

Voor een activiteit die dat woord met moeite waard is, hebben we het veel over slaap. Slaap is hot. Stel Google een vraag over slapen, en het blijkt ‘het nieuwe’ mediteren, gezond eten, seksen en detoxen. Dat slapen volgens Google ook het nieuwe ‘bewegen’ en ‘sporten’ is heeft iets opmerkelijks, maar ach, wie zal erover klagen? ‘Niet slapen’ blijkt tegelijk weinig verrassend ‘het nieuwe roken’, zoals alles dat slecht voor je is in een wereld met steeds minder rokers gretig als vervangende boosdoener wordt opgepakt.

Vergeleken met allerlei andere moderne uitdagingen (Dry January, minder vliegen, vlees of douchen), is de focus op slaap een eenvoudige. Je hoeft er niks voor te laten, en eigenlijk ook niet eens echt iets voor te doen.

Voor iedereen die van slapen houdt, en ik reken mijzelf nadrukkelijk tot die groep, is het allemaal uitstekend nieuws. Ik herinner me hoe heerlijk recalcitrant het als puber voelde om op de vraag naar je hobby’s te antwoorden met ‘slapen’. Slapen als hobby, dat was als een middelvinger naar een wereld waarin iedereen iets van je moest, waarin je je eigenlijk met school, de toekomst, of op z’n minst een wild en meeslepend leven zou moeten bezighouden, maar veel liever gewoon niks deed.

Iets van die recalcitrantie heeft slaap sowieso wel. De Nederlandse Facebook-pagina ‘slapen’ – door meer dan 175.000 mensen geliked – heeft een afbeelding van een slapende Doornroosje, met de tekst: ‘Sorry, I have plans’. Eronder taggen mensen elkaar, wat als je erover nadenkt best een rebelse daad is, je in het epicentrum van de sociale dwang als slaper bekennen.

Overtuigde, opzichtige slapers hadden vroeger iets subversiefs. Het zijn outcasts, zoals edelman Oblomov in de roman Oblomov van Ivan Gontsjarov, die zich afzette tegen alle verplichtingen van zijn stand en zijn bed nauwelijks uitkwam. Dat er in de jaren zestig als protest tegen oorlog werd gekozen voor sleep-ins lijkt me geen toeval.

Everybody seems to think I’m lazy’, zongen The Beatles. ‘I don’t mind, I think they’re crazy. I’m only sleeping.’

Foto Melissa Schriek

Slaap is zand in de machine van het kapitalisme, economisch ogenschijnlijk compleet waardeloos, en daarom per definitie een tikje subversief. Zeker in een samenleving waarin juist steeds meer moest. Marxistische denkers hebben al vaak opgemerkt hoezeer slaap daarin onder druk is komen te staan, hoe het in de steeds dwingender vierentwintiguurseconomie een hindernis werd, als het laatste stukje tijd waar geen productiviteit uit kon worden geperst. Dat Marx zelf naar verluidt maar een uur of vier per nacht sliep zou je ironie van de geschiedenis kunnen noemen, maar goed, hij stierf ook wel heel jong en is daarmee toch weer een prima schrikbeeld voor slaapverzakers.

Marx is trouwens niet de enige historische figuur die zich liet voorstaan op minimale slaapgewoonten. Je vindt er talloze lijstjes over op internet: noem een willekeurige grote naam, en hij (deze categorie bestaat uit louter mannen) blijkt slechts een paar uur per nacht te hebben geslapen. De wereldgeschiedenis krijgt er in retrospectief iets heel vermoeiends van.

Maar recent is er iets vreemds gebeurd. De status van slaap lijkt veranderd. Van een ontsierende pukkel waar je nu eenmaal mee moest leven, is slaap een schoonheidsvlek geworden, iets om te koesteren, mee te pronken, en bovenal in te investeren.

Lees ook: Goed slapen is óók een zorg van de baas

In elk geval voor een deel hebben we het nieuwe aanzien van slaap te danken aan de Amerikaanse mediatopvrouw Arianna Huffington, en haar in 2016 verschenen bestseller The Sleep Revolution: Transforming Your Life, One Night at a Time. Ooit, schreef Huffington, ging ook zij achteloos om met slaap, zag ze het vooral als verloren tijd, tijd waarin je ook had kunnen werken aan je carrière.

De aanleiding radicaal van gedachten te veranderen was voor het narratieve element van haar boek niet onhandig. De oververmoeide Huffington viel op een gegeven moment letterlijk om, knalde met haar hoofd op een tafel en brak haar kaak. Noem het een harde ontwaking.

Huffington zag het licht en ging daardoor niet alleen meer slapen, maar werd ook een prediker van het slaapevangelie. Naast een TedTalk en een boek kwamen er cursussen, apps, een collegetour en beddengoed.

Slaap is tegenwoordig niet meer iets voor de outcasts. Bezig zijn met slaap, slaap ‘serieus nemen’, is iets geworden wat bewuste mensen doen. Iets waarmee je je kunt onderscheiden, waarmee je laat zien dat jij begrijpt hoe het leven werkt, iets als geen suiker meer eten of van Facebook afgaan. Er is zelfs een woord voor, slaaphygiëne, dat niet toevallig associaties oproept met de door de Japanse Marie Kondo gepropageerde opruimfilosofie. Een opgeruimde geest woont niet alleen in een opgeruimd huis, maar slaapt ook opgeruimd.

Slaap is nu een keuze. Net zoals succes dat is

Niet dat opgeruimde slaap zomaar voor iedereen is weggelegd. Op YouTube is er een wereld aan how-to-filmpjes te ontdekken, voor beginners tot gevorderde slapers. Een video met de titel How to Fall Asleep in 2 Minutes According to the US Navy is bijna 16 miljoen keer bekeken.

Slaap is nu een keuze. Net zoals succes dat is – geen toeval natuurlijk, want slaap en succes horen bij elkaar als dekbed en kussen. Ook managers hebben slaap ontdekt. Ze sturen werknemers op slaapcursus, stond onlangs nog in deze krant, waarin „slaapbehoeftes” worden vastgesteld, waarna een coachingsprogramma volgt. Vreemd is dat niet, aldus een van de begeleiders: „Als beter slapen het verzuim tegengaat, vind ik het logisch dat de werkgever zich daarmee bemoeit.”

Op de radio klinkt al tijden een spotje over een ‘gratis slaaptest’, wat bij nadere bestudering een onderzoek naar ‘slaapgewoonten en -behoeften’ blijkt, iets waarbij een ‘slaap-dna’ wordt vastgesteld. Ik weet niet of er cijfers worden toegekend, maar ik kan me voorstellen dat het gros van de mensen kansloos zou zakken. Het aantal mensen met slaapproblemen blijkt bij onderzoeken alleen maar te stijgen.

Er zit dus toch enige ruimte tussen onze groeiende slaapobsessie en het aantal uur dat we daadwerkelijk slapend kunnen en willen doorbrengen. Je kunt het verband niet leggen en je gunt iedereen zijn slaapgereedschap en -oefeningen, maar ergens doet die paradox toch denken aan een frustrerende nacht, waarin je zo hard je best doet in slaap te vallen dat je er steeds wakkerder van wordt.

Lees ook: Als slapen maar niet lukt, de nachten van mensen met slapeloosheid

Marina Benjamin schrijft daarover, in haar onlangs verschenen boek Insomnia. Wij moderne mensen voelen „alsof we recht hebben op een lange, ononderbroken duik in het onbewuste. Terwijl werk zich opdringt in elk onderdeel van ons privéleven, vertellen we onszelf dat we dát in elk geval verdiend hebben. Maar ondanks dat we slaap een speciaal plekje hebben gegeven – een eigen kamer, gemeubileerd met duisternis en stilte, ganzendekens en hightech matrassen – blijft de god van de slaap ons kwellen en ontglippen.”

Er is waarschijnlijk niemand die dat niet herkent, die momenten waarop je het hele concept van naar bed gaan wil vervloeken, de nacht voelt als een werkdag waarin onophoudelijk nieuwe stapels papier op je bureau worden gegooid. Maar Benjamins insomnia is chronisch, ze is deel van het leger aan slapelozen die zich niet alleen met boeken, filmpjes en apps, maar ook met pillen en poeders in slaap proberen te boksen.

Niet de types die ’s nachts nog even een paar mailtjes eruit rammen of trainen voor een marathon, maar de beklagenswaardigen, voor wie niet slapen haast een dagelijks rouwproces is.

Door de moderne aanbidding van slaap is niet slapen bovendien nog tragischer geworden, iets dat niet alleen jezelf kwelt, maar eigenlijk ook je collega’s en werkgever.

Maar juist daarom wil Benjamin opkomen voor het ‘niet-slapen’, of het ‘niet-kunnen-slapen’, als iets dat niet alleen iets níét is, maar ook tot inspiratie en creatie kan leiden. Vladimir Nabokov vergeleek zijn slapeloosheid met een zonne-uitbarsting, waarin hij plotseling tot geniale inzichten kon komen. Ook Marcel Proust en Franz Kafka zagen hun insomnia als een kans te dwalen tussen nacht en dag, tussen bewust en onbewust, voor de kunstenaar een prachtig onafhankelijke positie. In een wereld geobsedeerd door ‘clean sleeping’ ziet Benjamin haar eigen slapeloosheid ook als een te verdedigen neurose, een artistieke kracht zowaar, of in elk geval een verzet tegen de norm een evenwichtig, stabiel, efficiënt persoon te zijn.

Wat zegt het over een samenleving, dat rust, slaap, kalmte, mindfulness, een collectieve obsessie zijn geworden, vraagt ze zich af. Ze breekt een lans voor meer nachtelijk mind wandering. Mindfulness, schrijft ze, is weliswaar „bevredigend op de korte baan, maar het mist een echt reisdoel. Het houdt de dingen zoals ze zijn. Het laat de wereld onveranderd”.

Je zou het de nieuwe dwarsheid kunnen noemen, in tijden van slaapmanie: je keren tégen de disciplinering van dutjes, tegen de dwang elke ochtend volledig uitgerust op je werk te verschijnen. Toch zullen de meeste slapelozen zich eerder eenzaam en vermoeid dan lekker artistiek en subversief voelen. Slapen mag dan niet meer zo rebels zijn, je verzetten tegen slaap is een stuk lastiger dan je verzetten tegen quinoa en amandelmelk.